|
|
bestemmingsplan
Waesgeerd-west, waspik
gemeente waalwijk
Gemeente Waalwijk
Bestemmingsplan
Waesgeerd-West, Waspik
z Toelichting
bijlagen
z Voorschriften
bijlage
z
Plankaart schaal
1:1000
projectgegevens:
TOE02-WAA00014-01A
RAO03-WAA00011-01A
VOO02-WAA00014-01A
TEK02-WAA00014-01A
Rosmalen, februari 2006 Vastgesteld: 23 februari 2006
1.2 Ruimte-voor-Ruimte-regeling
1.4 Vigerende bestemmingsplannen
2.4 (Cultuur)historische en
archeologische waarden
3.1 Uitwerkingsplan
landelijke regio Groot-Langstraat
3.3 Intentieverklaring
Ruimte voor Ruimte
4 MILIEUGEGEVENS
EN –ONDERZOEK
4.1 Relatie met de Wet geluidhinder
4.7 Riolering en waterhuishouding
5.3 Welstandsnota en beeldkwaliteitplan
5.4 Randvoorwaarden voor bestemmingsplan
7.2 Algemene
toelichting voorschriften31
7.4 Afwijkingen ten opzichte van
standaard
Bijlagen
Bijlage 1: Rapport akoestisch onderzoek
Bijlage 2: Luchtkwaliteitgegevens
Naar aanleiding van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling van de provincie
Noord-Brabant is ten westen van Waspik het initiatief voor woningbouw ontplooid.
Het plan voorziet in de ontwikkeling van circa 50 kavels.
De provincie Noord-Brabant is in principe akkoord met de locatie.
De basis voor de ontwikkeling van het woongebied ten westen van Waspik is
de ‘Ruimte-voor-Ruimteregeling’. De regeling heeft tot doel dat de ruimtelijke
kwaliteit van gebieden in Noord-Brabant verbeterd wordt.
In afwijking van de programmering voor de woningbouw is de bouw van woningen
op passende locaties toegestaan in ruil voor de sloop van agrarische bedrijven
die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij.
Voor deze regeling is een aantal voorwaarden opgesteld. Hieronder volgen de
belangrijkste:
-
In ruil voor de
sloop van agrarische bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ten
minste 1.000 m² mag een woning worden gebouwd
in afwijking van de programmering voor de woningbouw.
-
De bouw van de
woning mag uitsluitend binnen de bebouwde kom plaatsvinden dan wel binnen de
kernrandzone of een bebouwingscluster en dient bovendien zoveel mogelijk aan te
sluiten op de bestaande bebouwing. Tevens kan een locatie worden benut die in
het kader van een structuurvisiePlus door Gedeputeerde Staten als
geschikt voor woningbouw is aanvaard.
-
De bouw van de
woning dient te passen binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente.
-
Cultuurhistorische,
landschappelijke en ecologische waarden moeten worden behouden dan wel
versterkt worden. De milieuhygiënische en waterhuishoudkundige situatie ter
plaatse moeten zoveel mogelijk verbeterd worden.
-
De agrarische
ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de nabijheid van de woning worden
niet beknot.
-
Zeker gesteld moet
zijn dat de realisering van de woning plaatsvindt in samenhang met de sloop van
agrarische bedrijfsgebouwen en met de inlevering van de milieurechten van de
agrarische activiteit ter plaatse. Per woning dient te worden aangetoond dat
ten minste 1.000 m2 agrarische
bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en milieuwinst op de desbetreffende locatie is
bereikt.
Op basis van dit beleid zullen de extra woningen die in het onderhavige
plan worden ontwikkeld, worden gekoppeld aan de sloop van stallen in het reconstructiegebied
in Noord-Brabant.
In het kader van de ‘Ruimte-voor-Ruimteregeling’ wordt in ieder geval
1.000 m2 stallen voor elke kavel gesloopt, inclusief het doorhalen
van 3.500 kg aan mestrechten per kavel.
Voor deze inbreng zijn optiecontracten afgesloten. De contracten zullen geëffectueerd
worden op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk goedgekeurd is, dan
wel er op basis van artikel 19 WRO de mogelijkheid ontstaat om bouwvergunningen
af te geven.
De gemeente Waalwijk heeft met de provincie Noord-Brabant een intentieovereenkomst
gesloten, waarin de provincie aangeeft dat op basis van de eerste ruimtelijke
schets de ontwikkeling als kansrijk en passend binnen de ruimtelijke kaders van
de aanpak ruimte voor ruimte is beoordeeld. In paragraaf 3.3 van deze
toelichting zal nader op de intentieverklaring worden ingegaan.
Het plangebied is gesitueerd
aan de westzijde van Waspik. De grenzen van het plangebied worden in het
noorden gevormd door het agrarische gebied en het daarachter gelegen Zuider
Afwateringskanaal en de autosnelweg A59 (Maasroute). Ten westen van het
plangebied ligt ook open agrarisch gebied, bestaande uit grasland en deels een
groenstrook met bomen. De oost- en zuidzijde grenzen aan bestaand bebouwd
gebied. De oostzijde sluit aan de woonwijk Waesgeerd-Oost, welke gerealiseerd
is in de jaren 90. De zuidzijde van het plangebied grenst aan de achterpercelen
van de lintbebouwing aan de Benedenkerkstraat.
Ter plaatse van de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied,
herziening 1984’ vastgesteld door de raad op 13 juni 1984 en goedgekeurd door
Gedeputeerde Staten op 2 april 1985. Het bestemmingsplan is onherroepelijk
geworden op 1 maart 1987. Voor het plangebied vigeert de bestemming ‘Agrarisch
gebied 1’.
Voor een deel van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Benedenkerkstraat’
waar de bestemming ‘Agrarische doeleinden’ geldt.
In de toelichting van het bestemmingsplan ‘Waesgeerd’ voor het aangrenzende
woongebied (Waesgeerd-Oost) is aangegeven dat de wijk aan de westelijke zijde
in de toekomst mogelijk zal worden uitgebreid.
De gemeente Waalwijk ligt in
het midden van de provincie Noord-Brabant aan de Bergsche Maas. De kernen
Sprang-Capelle, Waalwijk en Waspik stralen alle een eigen sfeer uit.
Waspik heeft een overwegend
dorps karakter, in een landelijke omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van
de voorzieningen in de stad Waalwijk.
Waspik
bestond oorspronkelijk uit de veendorpen Waspik en Waspik-Zuid. Het gebied ten
zuiden van de Maas, waar nu het dorp Waspik ligt, maakt deel uit van het
Langstraatse veengebied. De ‘Langstraat’ bestaat uit de dorpen Waspik,
Waspik-Zuid, Capelle en Nieuwe Vaart, de daarmee samenhangende lintbebouwing en
het bedrijventerrein Maasoever-Scharlo. Het occupatiepatroon van de
‘Langstraat’ is geënt op de landschappelijke structuur van het veenweidegebied.
Langstraat wordt gekenmerkt door een ‘weefsel’ van geconcentreerde bebouwde
gebieden en langgerekte bebouwde lijnen van de occupatielinten.
Ontginningen van het gebied
vonden plaats door het naar de Maas hellende veengebied vanaf de maasoever te
ontwateren middels het graven van een regelmatig slotenpatroon (vaarten). Op
deze wijze werd het gebied geschikt voor een gemengde agrarische
bedrijfsvoering. Het cultuurlandschap werd omgeven door opgehoogde veendijken
(kades), die bewoners beschermden tegen eventuele overstromingen. Op de dijken
ontstond bebouwing, zoals bijvoorbeeld bij de Benedenkerkstraat. Op foto 5 is
duidelijk het hoogteverschil te zien van de Benedenkerkstraat ten opzichte van
het omliggende gebied.
Het gebied rondom Waspik
wordt gekenmerkt door oost-west lopende veendijken met lintbebouwing met
daaraan gelegen smalle noord-zuidgerichte percelen, welke gescheiden worden
door sloten.
Kenmerkend voor de opbouw van
het dorp Waspik is de aanwezigheid van de oudere lintstructuren (op de kades)
en de daar omheen liggende nieuwbouwwijken. Waesgeerd-Oost is een voorbeeld van
zo’n nieuwbouwwijk en is in de jaren 90 van de vorige eeuw gerealiseerd.
Kenmerkend van deze wijk is de differentiatie in woningtypen en een ruim
opgezet openbaar gebied. De openbare ruimte wordt voornamelijk gevormd door
brede, groene bermen, groen ingerichte speelplekken en boomsingels. De opbouw
van de wijk wordt gedomineerd door vrijstaande en geschakelde woningen. De wijk
Waesgeerd-Oost wordt aan de oostelijke zijde begrensd door het Zuider
Afwateringskanaal en daardoor van de rest van het dorp gescheiden.
Het plangebied ligt in de
polder De Dellen en bestaat uit drie langgerekte percelen met een totaal
oppervlak van circa 7 hectare. De percelen zijn in gebruik als grasland en
worden door sloten van elkaar gescheiden. Het terrein ligt tussen het Zuider
Afwateringskanaal (noorden), een akker- en weidegebied (westen), tuinen van de
huizen aan de Aletta Jacobsstraat (zuidoosten) en de H.J.M. Wiegersmastraat
(oosten). De laatst genoemde straat vormt tevens de westgrens van de huidige
bebouwing van het dorp. De zuidwestelijke grens van het plangebied bestaat uit
de achterste perceelsgrenzen van de percelen aan de Benedenkerkstraat. Één van
deze percelen bestaat uit een strook met bomen, het zogenaamde ‘vogelbosje’.
Dit ‘vogelbosje’ is beschermd natuurgebied en bezit bijzondere natuurwaarden.
De huidige westelijke rand van het dorp (gevormd door de bebouwing aan de
H.J.M. Wiegersmastraat) vormt een harde dorpsrand, gezien vanuit het omliggende
landschap en vanuit de autosnelweg A59.
Het overgrote gedeelte van het dorp bestaat uit woongebied. Het beperkt
aantal voorzieningen in het dorp ligt voornamelijk in de oude dorpskern. Ten
noorden van Waspik aan de overzijde van de autosnelweg A59 ligt een
kleinschalig bedrijventerreintje aan het Oude Maasje. Het dorp wordt aan drie
kanten begrensd door het buitengebied waarin de agrarische functie de boventoon
voert. Het huidige gebruik van het plangebied is ook agrarisch. Aan de
noordzijde wordt het dorp begrensd door de autosnelweg A59 (Maasroute).
Door de autosnelweg A59
(Raamsdonksveer – ’s-Hertogenbosch) heeft Waspik een uitstekende
bereikbaarheid. Via de Schoutstraat – Nieuwe Provinciale weg wordt de dorpskern
ontsloten op de A59. Vanuit het dorp
lopen wegen richting Raamsdonk (Benedenkerkstraat), Capelle (’t Vaartje) en
Waspik-Zuid (Spoorstraat).
De wegen in de wijk
Waesgeerd-Oost bestaan uit woonstraten met een maximumsnelheid van 30 km p/u.
De wijk wordt vanuit het dorp ontsloten door de Sprangenstraat. In zuidelijk
richting wordt de wijk door de Aletta Jacobsstraat ontsloten. Deze weg sluit
aan op de Benedenkerkstraat.
De provincie Noord-Brabant heeft een kaart
vervaardigd met cultuurhistorische waarden. De Benedenkerkstraat is hierop aangeduid
als een historisch-landschappelijke of stedenbouwkundige lijn met hoge waarde.
Aan het beloop van de Benedenkerkstraat wordt in voorliggende bestemmingsplan
niets veranderd.
Aan de Benedenkerkstraat ligt een molenbiotoop,
die grenst aan de planlocatie. Deze molenbiotoop heeft geen invloed op de
nieuwbouwlocatie.
Bij plannen voor in- en uitbreiding (woningbouw,
bedrijventerreinen en dergelijke) of vervangende nieuwbouw dient men rekening
te houden met archeologische waarden. Uit de 2e Indicatieve Kaart
Archeologische Waarden (IKAW) van ROB blijkt dat er in de omgeving van Waspik
geen archeologische monumenten zijn en dat het plangebied in een zone met een
lage archeologische verwachting ligt. De lage archeologische verwachting is gebaseerd
op de aanwezigheid van broekeerdgronden, liedeerdgronden en waardveengronden.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Waalwijk is het gebied
gewaardeerd als kenmerkend, zeldzaam en gaaf (MPS, 2003). Deze is afgeleid van
de IKAW (1e generatie), waarop de planlocatie een middelhoge,
archeologische waarde heeft. Omdat het gebied rond Waspik door de eeuwen heen
voor de landbouw en/of de veeteelt is gebruikt en het feit dat de zone langs de
Benedenkerkstraat vanaf de 14e eeuw een ‘verkeersroute’ is geweest,
kunnen zich sporen van bewoning of gebruik in de bodem bevinden (MPS, 2003).
In opdracht van de gemeente Waspik heeft het onderzoeks- en adviesbureau
voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie (BAAC
b.v.) een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd in het
plangebied. Het veldwerk voor dit onderzoek heeft plaatsgevonden in februari
2004. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de eisen van de provinciaal
archeoloog van de provincie Noord-Brabant en het handboek Kwaliteitsnorm
Nederlandse Archeologie (KNA).

De resultaten van het veldonderzoek zijn dat er aanwijzingen zijn dat de
top van zowel het dekzand- als het veenpakket geërodeerd is. Het bodemprofiel
in het plangebied wordt gekenmerkt door een intact AC profiel (humeuze
bovengrond op onverstoord moedermateriaal). De bodems worden afhankelijk van de
dikte van het veenpakket geclassificeerd als broekeerdgronden en waardveengronden.
Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid
van een archeologische vindplaats. Geconcludeerd kan worden dat de
archeologische verwachting in het plangebied laag is. Voor het plangebied wordt
vanwege de lage archeologische verwachting en het ontbreken van archeologische
vondsten geen vervolgonderzoek aanbevolen.

Het Uitwerkingsplan
landelijke regio Groot-Langstraat betreft de regionale vertaling en uitwerking
van het provinciaal ruimtelijk beleid dat is vastgelegd in het Streekplan
Noord-Brabant 2002. Het Uitwerkingsplan vormt hiermee een belangrijk
afwegingskader voor ruimtelijke plannen op het lokale niveau. Op 21 december 2004 is het Uitwerkingsplan landelijke regio Groot-Langstraat
door Gedeputeerde Staten definitief
vastgesteld.
Op het gebied
van verstedelijking geeft het Uitwerkingsplan inzicht in de locaties die op basis
van een analyse van de in de regio aanwezige duurzame waarden afweegbaar zijn
voor woningbouw en nieuwe bedrijvigheid. Ruimte voor ruimte woningen
worden eveneens gezien als een stedelijke ontwikkeling als die plaatsvindt in
de vorm van een planmatige uitbreiding van het stedelijk gebied. Onderhavig
plan kan als zodanig worden beschouwd.
De planlocatie
Waesgeerd-West is op de plankaart regio Groot-Langstraat van de provincie
Noord-Brabant aangeduid als ‘transformatie afweegbaar’. De aanduiding transformatie
afweegbaar geeft aan dat het transformeren van landelijk gebied naar stedelijk
grondgebruik (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen, al of niet in
combinaties van meervoudig ruimtegebruik) afweegbaar is als dat nodig is om in
de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien. Deze gebieden hebben mogelijkheden
voor transformatie in de vorm van een duurzame en kwalitatieve afronding. Wel
dient rekening gehouden te worden met potentieel natte gebieden en zoekgebieden
voor regionale waterberging.
Duurzame ontwikkeling van de
gebouwde omgeving kan worden gerealiseerd met maatregelen die zijn samen te
vatten onder de term Duurzaam Bouwen (DuBo). Dubo is bouwen en wonen met continue aandacht voor de milieuprestaties,
maar ook de woonkwaliteit en het beheer van de woning. De gemeente Waalwijk heeft gedurende enkele jaren in het kader van de DuBo
de Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR) als instrument gebruikt. Momenteel is
de gemeente, om de werkwijze te vervolmaken, aanvullend beleid aan het opstellen
in het kader van DuBo.
Aangezien de gemeente
onderhavig nieuwbouwproject (grotendeels) zelf gaat ontwikkelen, kan worden
gesteld dat voldoende aandacht zal worden besteed aan het aspect Duurzaam
Bouwen bij de realisering en beheer van het nieuwbouwproject ‘Waesgeerd-West’.
Op 27 februari 2003 heeft de
gemeenteraad van Waalwijk een intentieovereenkomst met de provincie
Noord-Brabant inzake ruimte voor ruimte ondertekend. In deze overeenkomst is de
intentie uitgesproken om het nieuwbouwproject ‘Waesgeerd-West’ te ontwikkelen
in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling, onder vastgestelde
voorwaarden.
In de overeenkomst is afgesproken dat de gemeente
Waalwijk het initiatief neemt tot het ontwikkelen van het gebied ten westen van
Waspik tot een woningbouwlocatie van circa 35 kavels in een ruime opzet. De
provincie draagt zorg voor het beschikbaar komen van tien ruimte voor ruimte
kavels, die in het kader van het Pact van Brakkenstein door het Rijk aan de
provincie zijn toegekend om de uitbetaling van de sloopvergoedingen in het
kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) te kunnen terugverdienen.
De gemeente zal , binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële
kaders, de exploitatieopbrengsten die zij ontvangt uit deze ontwikkeling in
principe in te zetten voor de verdere kwaliteitsverbetering van het landelijk
gebied binnen de uitgangspunten van het op te stellen revitaliseringplan.
Voor
woningbouwontwikkeling in de landelijke regio Groot-Langstraat is normaal
gesproken de provinciale prognose voor de periode van 2002 tot 2020
richtinggevend (‘Woningbouwbehoefte’, Provincie Noord-Brabant, 2003). Op basis
van deze prognose is voor de regio een aantal te bouwen woningen toegekend. De
programmatische aspecten van de regeling ruimte voor ruimte zijn hierin echter
niet meegenomen. Het aantal te bouwen woningen wordt geregisseerd en gemonitord
door de provincie.
De kavels binnen onderhavig nieuwbouwproject zijn
ruim tot zeer ruim en zullen in het duurdere segment worden ontwikkeld.
In
de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg een zone (aandachtsgebied) heeft.
Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarvan het
plangebied is gelegen binnen deze zone, is een akoestisch onderzoek vereist.
Uitzonderingen
daarop zijn:
-
wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
-
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
-
gedézoneerde wegen via een vastgestelde geluidsniveaukaart.
Deze
uitzonderingen zij niet van toepassing op de A59. Deze weg heeft een zone van
400 meter aan weerszijde van de weg.
Omdat
er in het bestemmingsplan sprake is van de mogelijkheid tot de bouw van woningen
binnen genoemde zone, is een akoestisch onderzoek verricht.
Het
onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.
Het
onderzoek heeft tot doel de geluidbelasting op de, in de zone van de A59, te
projecteren woningen te bepalen en te toetsen aan de grenswaarden die in de Wet
geluidhinder (artikel 76 en 77 Wgh) zijn gesteld.
Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde
op de naar de weg gekeerde gevels van de eerstelijns bebouwing wordt
overschreden. Het gaat daarbij alleen om de eerste en tweede verdieping.
Om op alle gevels te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde zijn geluidsbeperkende
maatregelen overwogen. Daaruit blijkt dat een afscherming in de vorm van een
wal langs de A59 doelmatig is indien de lengte circa 600 meter, en de hoogte
circa 3 meter is.
Naast het feit dat de hoogte van de kosten van deze afscherming niet acceptabel
is, past een dergelijke maatregel niet in het landschap omdat de wal de
zichtlijn op het unieke landschap verstoort.
De noordgevels (kap) van de verdiepingen van de eerstelijns bebouwing,
zullen als dove gevels worden uitgevoerd. Daardoor is er geen sprake van een
gevel.
Alle
overige gevels van de woningen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde.
In de omgeving van de planlocatie is geen
bedrijvigheid gelegen welke (schadelijke) milieuhinder oplevert voor de
onderhavige ontwikkeling.
In en in de omgeving van de
planlocatie zijn geen leidingen aanwezig die een planologische bescherming
behoren te krijgen en daarmee een belemmering zouden kunnen vormen voor de
onderhavige ontwikkeling.
Het plangebied
‘Waesgeerd-West’ is gelegen in de nabijheid van de autosnelweg A59.
Over deze transportas
vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen gelden er normen voor
externe veiligheid. Deze normen bepalen het maximaal toelaatbaar risico op
dodelijke slachtoffers. Bij het vastleggen van ruimtelijke ontwikkelingen,
waarbij sprake is van kwetsbare of beperkt kwetsbare functies of objecten zoals
woningen, scholen en ziekenhuizen, dient met deze normen rekening te worden
gehouden.
Uitgangspunt zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is een maat voor het overlijdensrisico van personen op een bepaalde
plaats als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Met betrekking tot het PR worden twee waarden gehanteerd, te weten PR=10-5
(bestaande situaties) en PR=10-6 (nieuwe situaties). Dit houdt in de
kans van overlijden van 1 op 100.000 respectievelijk 1 op 1.000.000.
Het GR is de kans per jaar dat in één keer een groep
mensen van ten minste een bepaalde grootte komt te overlijden bij een ongeval
met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriënteringswaarde waaraan
getoetst moet worden. Inschatting van het GR is niet nodig op een afstand van
meer dan 200 meter uit de rand van de weg.
In het voorliggende plan wordt de bouw van een aantal woningen mogelijk
gemaakt.
Omdat de afstand van de woningbouwmogelijkheden tot de weg minimaal 260
meter bedraagt, is geen inschatting van het GR nodig. Derhalve vindt alleen
voor het PR een toetsing plaats.
Voor deze toetsing is in de ‘Circulaire Risiconormeringvervoer gevaarlijke
stoffen’ aangegeven dat deze stapsgewijs kan worden gedaan, waarbij drie
stappen worden onderscheiden:
-
Een eerste indruk is
te verkrijgen via de risicoatlassen en toepassing van de vuistregels uit de
‘Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen’, waarbij
transportbewegingen met drempelwaarden vergeleken worden. Hieruit kan soms
geconcludeerd worden dat er geen extern veiligheidsprobleem is.
-
Als daarover
onduidelijkheid is, kan de kans op een betrekkelijk eenvoudige manier worden
ingeschat met behulp van de IPO-Risico-berekeningsmal (IPO-RBM).
-
Als deze
gestandaardiseerde methodiek niet toereikend is, zal een specialistische
kwantitatieve risicoanalyse moeten worden gemaakt.
In 2003 is in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Adviesdienst
Verkeer en Vervoer, de tweede versie uitgebracht van de ‘Risicoatlas
wegtransport gevaarlijke stoffen’.
Deze risicoatlas biedt onder meer gemeenten de mogelijkheid na te gaan of
er binnen hun grondgebied aandachtspunten zijn met betrekking tot externe
veiligheid.
Dit aspect wordt voor wat betreft de weg bepaald door het vervoer van gevaarlijke
stoffen zoals LPG, ammoniak en chloor per tankauto.
Uit dat onderzoek, op basis van telgegevens uit 2002, is gebleken dat voor
het individueel risico de risicocontour voor 10-6 per jaar ter
plaatse niet buiten de rand van de weg ligt.
Aangezien de bouwmogelijkheden op een afstand van minstens 260 m tot het
rand van de weg gelegen zijn, kan het huidige PR op zeer veel lager dan 10-6
gesteld worden, namelijk in de orde van 10-8.
Voor een inschatting van de
transportbewegingen voor het horizonjaar 2015 worden de bestaande
transportbewegingen opgehoogd met door Rijkswaterstaat op dit moment
gehanteerde indicaties betreffende de verwachte groei van het vrachtverkeer. In
de periode 2002-2015 gaat het om een toename met 50 à 60%. Gerekend is met een
maximale groei.
Dit leidt tot het volgende overzicht van
transportbewegingen:
|
Stofcategorie |
2002 |
2015 |
|
LF1 |
5.151 |
8.242 |
|
LF2 |
5.992 |
9.587 |
|
GF3 |
1.732 |
2.771 |
|
Totaal |
12.875 |
20.600 |
Deze transportbewegingen kunnen getoetst worden aan de drempels, zoals die
in de ‘Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen’ zijn beschreven.
Voor het PR levert de toetsing
aan de relevante vuistregels het volgende op:
Vuistregel 1:
Het aantal LPG-wagens bedraagt 2771 en is daarmee
< 6.500, derhalve géén 10-6-contour.
Vuistregel 2:
Het totaal aantal wagens bedraagt 20.600, dit is
ruim minder dan 27.000. Ook de afzonderlijke stofcategorieën blijven ruim onder
de drempels. Er is derhalve géén 10-6-contour.
Uit toepassing van de vuistregels kan, in combinatie met de gegevens uit de
‘Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen’ geconcludeerd worden dat geen te
hoge risiconiveaus zullen optreden voor het plaatsgebonden risico. Voor het
groepsrisico is, zoals eerder gezegd, geen toetsing nodig.
Dit betekent dat er geen verdere onderzoeksstappen
meer nodig zijn.
Het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’, dat op 5 augustus 2005 in werking is getreden, bevat luchtkwaliteitseisen voor diverse verontreinigende stoffen, o.a. stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10), die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Bij de totstandkoming van bestemmingsplannen moeten de grenswaarden in acht worden genomen. Deze normen zijn bindend en niet afweegbaar.
Voor toetsing aan de grenswaarden per 2010 is een berekening nodig, waarin ook een referentiescenario invoer is. Het referentiescenario is inmiddels ook aangepast voor de jaren na 2010. Bij een horizonjaar ná 2010 moeten prognoses voor het horizonjaar worden gebruikt bij de berekening.
Alle in de prognosetermijn relevante ontwikkelingen die de luchtkwaliteit kunnen beïnvloeden moeten in beeld worden gebracht. Met name de emissies van het wegverkeer zijn daarbij van belang.
De berekeningen voor stikstofdioxide (NO2) en voor zwevende deeltjes (PM10) zijn verricht met behulp van het rekenprogramma CAR II (versie 4.0.0). Daarbij gaat het om jaargemiddelde etmaalconcentraties en om het aantal keren per jaar dat een maatgevende concentratie (‘piekwaarde’) wordt overschreden.
Het voorliggende plan maakt de bouw van circa 57 nieuwe woningen mogelijk.
Het onderzoek richt zich enerzijds op de luchtkwaliteit in het plan zelf en anderzijds op het effect van de toename van het verkeer door deze woningbouw op wegen in de omgeving.
Voor de luchtkwaliteit in het plan zelf gaat het om de nieuwe weg in het plan. Op het drukste punt zal deze weg, die de enige toegangsweg tot het plan is, met het volledige aantal verkeersbewegingen vanuit het plan belast zijn.
Ten gevolge van de 57 nieuwe woningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen met in totaal circa 460 mvt/etmaal. Deze toename komt via genoemde nieuwe weg op de Aletta Jacobsstraat, die aansluit op de lokale hoofdwegenstructuur (Benedenkerkstraat). De nieuwe weg, de Aletta Jacobsstraat en de Benedenkerkstraat zijn als bron meegenomen.
Verondersteld wordt dat de intensiteit op het meest zuidelijke gedeelte van de Aletta Jacobsstraat in de nulsituatie ca. 400 mvt/etmaal bedraagt en in de plansituatie derhalve ca. 860 mvt/etm.
In het horizonjaar 2015 zal de intensiteit op de Benedenkerkstraat op basis van een doorberekening met een autonome groei van 2% per jaar 4.255 mvt/etmaal bedragen. Er wordt van uitgegaan dat in de autonome groei ook herstructureringslocaties als de onderhavige begrepen zijn. Dit houdt in dat in de nulsituatie (dus zonder de realisatie van het plan) de verkeersproductie van het plan in mindering moet worden gebracht op de voor het horizonjaar berekende intensiteit. In de nulsituatie zal dit derhalve leiden tot een intensiteit van ca. 3.795 mvt/etm op het oostelijk deel van de Benedenkerkstraat. Als plansituatie geldt daar 4.255 mvt/etmaal.
Bijlage 2 geeft de invoergegevens en de berekeningsresultaten weer.
Het resultaat van de berekening is als volgt samen te vatten.
Voor het jaar 2010 zijn de volgende resultaten berekend. Voor stikstofdioxide (NO2) resulteren waarden van ten hoogste 29 μg/m3 in de plansituatie. De berekende waarden blijven dus ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m3 voor het jaargemiddelde. Er zijn geen overschrijdingen van de ‘piekwaarde’ berekend.
Voor fijn stof moet opgemerkt worden dat in de ‘Meetregeling luchtkwaliteit 2005’ correcties worden aangegeven op de resultaten. Het betreft op de eerste plaats een correctie met een reductie van 6 dagen met betrekking tot het aantal dagen per jaar met overschrijding, die voor heel Nederland geldt. Daarnaast is er sprake van een variabele correctie van de jaargemiddelde-concentratie. Voor de gemeente Waalwijk gaat het om een vermindering met 3 μg/m3.
Ook voor fijn stof (PM10) wordt, na correctie, met waarden van ten hoogste 31 μg/m3 in de plansituatie de grenswaarde (40 μg/m3) voor het jaargemiddelde niet overschreden.
Het aantal dagen per kalenderjaar waarop de ‘piekwaarde’ (50 μg/m3 per etmaal) wordt overschreden, bedraagt, na correctie, 36 dagen in het plangebied en de Aletta Jacobsstraat (nulsituatie en plansituatie) en 42 resp. 43 dagen (nulsituatie en plansituatie) aan de Benedenkerkstraat. Deze waarden liggen in en nabij het plan, weliswaar juist boven het maximum van 35 dagen per jaar, maar deze overschrijding vindt in feite reeds vrijwel volledig plaats vanuit de ‘achtergrond’-concentratie.
Voor het jaar 2015 nemen de waarden voor NO2 en PM10 (met max. 2 μg/m3) enigszins af, en blijft er voor PM10 in en om het plangebied op maximaal 34 dagen per jaar (beide situaties) sprake van genoemde overschrijding. Op dat moment wordt dus aan alle grenswaarden voldaan. Aan de Benedenkerkstraat blijft het aantal overschrijdingsdagen met 43 boven de grenswaarde.
De volgende conclusies worden uit het onderzoek getrokken.
Binnen het plan wordt in 2010 voldaan aan de grenswaarden, uitgezonderd die betreffende het maximum aantal dagen voor fijn stof.
Opgemerkt moet worden dat dit vrijwel geheel door het reeds bestaande hoge achtergrondniveau wordt veroorzaakt. In 2015 wordt ook aan die grenswaarde voldaan.
De volgende maatregelen worden getroffen ter verbetering van de luchtkwaliteit om te voldoen aan genoemde grenswaarde:
- Het Rijk stelt een plan van aanpak op om de problematiek in de toekomst op te lossen. De eerste stap daarbij is het ‘Nationaal Luchtkwaliteitsplan 2004’. Een omvangrijk pakket aan extra maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren is in ontwikkeling. Elementen daarvan zijn het stimuleren tot, c.q verplichten van roetfilters op dieselauto’s en het verminderen van de maximumsnelheid op bepaalde trajecten. Verwacht wordt dat het Rijkspakket in 2015 tot een reductie van 15% voor fijn stof leidt.
- Het Rijk stelt voorts geld ter beschikking aan de lagere overheden voor regionale en lokale initiatieven.
- Ook op provinciaal niveau wordt het probleem aangepakt. Ter verbetering van de luchtkwaliteit zijn in het kader van ISV gelden beschikbaar gesteld en wordt samenwerking gezocht binnen het Innovatieprogramma Lucht.
Verwacht mag worden dat in het plan daarmee op termijn ook aan het maximum aantal dagen kan worden voldaan.
Het effect van het plan op de hoogte van de luchtkwaliteitswaarden in de omgeving van het plan is te verwaarlozen. Er is geen toename op de concentraties en het aantal overschrijdingsdagen neemt met maximaal één dag toe. Daarom kan gesteld worden dat het plan geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, zeker niet op langere termijn.
Er is in elk geval in de nabije omgeving van het plan geen sprake van een betekenende verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van dit plan.
Begin 2004 is, in opdracht van de afdeling Grondgebiedszaken van de gemeente
Waalwijk, door Verhoeven Milieutechniek BV een verkennend bodemonderzoek en een
waterbodemonderzoek uitgevoerd conform de geldende richtlijnen.
Naar aanleiding van de resultaten is vervolgens een aanvullend onderzoek
uitgevoerd.
Bij het verkennend onderzoek werd vastgesteld dat de meeste grondmengmonsters
niet of nauwelijks verhoogde concentraties bevatten. De aangetroffen
concentraties zijn zo laag dat zij geen risico voor de volksgezondheid en het
milieu met zich meebrengen.
Slechts in twee gevallen heeft de gemeente Waalwijk aanvullend onderzoek
noodzakelijk geacht om duidelijkheid te verkrijgen of hier mogelijk een verontreiniging
aanwezig is.
In het grondwater werden incidenteel licht verhoogde concentraties zware metalen
aangetroffen, allen echter onder de tussenwaarde. Ook voor deze concentraties
geldt dat zij geen risico voor de volksgezondheid en het milieu met zich
meebrengen.
De aanwezige waterbodems bleken slib te bevatten van productklasse 0 of 1.
Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodems bestaat geen
bezwaar tegen dempen van de sloten of het uitspreiden van het slib over de
landbodem.
De gemeente Waalwijk heeft aanvullend onderzoek laten uitvoeren naar twee mogelijke verontreinigingen.
Bij het verkennend onderzoek werd in één bovengrond mengmonster een verhoogd gehalte chroom aangetroffen. Deze concentratie was zodanig dat een overschrijding van de interventiewaarde in een van de monsters niet uitgesloten kon worden.
In drie mengmonsters werd een verhoogde EOX-gehalte aangetroffen. De
aanwezigheid van dergelijke concentraties maakte het noodzakelijk om na te gaan
of hier mogelijk bestrijdingsmiddelen aan te grondslag lagen.
Uit het aanvullend onderzoek bleek dat bij één boring de interventiewaarde werd overschreden en bij een tweede monster de tussenwaarde werd overschreden.
Bij de boring waar de interventiewaarde werd overschreden, werd binnen een
straal van 5 meter geen verontreiniging meer vastgesteld. Ook is vastgesteld
dat het schadelijkere chroom VI niet aanwezig is. Er is sprake van een puntverontreiniging
met chroom III.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat met betrekking tot
chroom geen sprake is van (een ernstig geval van) bodemverontreiniging.
De interventiewaarde geldt als criterium waarboven mogelijk risico voor
mens en dier zou kunnen bestaan. Vanwege de zeer geringe omvang van deze
puntverontreiniging, de aangetroffen concentratie en het feit dat geen chroom
VI is aangetroffen, wordt geen risico voor mens en milieu verwacht.
Saneren van de puntverontreiniging wordt vanuit milieuhygiënisch standpunt
niet noodzakelijk geacht. Vanuit technisch oogpunt kan afgevraagd worden of het
zelfs wel haalbaar is?
De drie mengmonsters met verhoogd EOX-gehalte zijn onderzocht op de
aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen. Twee mengmonsters waren niet of
nauwelijks verontreinigd met bestrijdingsmiddelen. In de samenstellende
monsters van het derde mengmonster werden weliswaar bestrijdingsmiddelen
aangetroffen maar niet boven de tussenwaarde.
Op basis van deze concentraties bestond feitelijk geen aanleiding verder
onderzoek te verrichten. Toch is een nader onderzoek uitgevoerd naar de omvang.
Dit onderzoek toonde vervolgens dat de omvang beperkt is en dat nergens op
onderzoekslocatie concentraties boven de tussenwaarde aanwezig waren.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat met betrekking tot
bestrijdingsmiddelen geen sprake is van (een ernstig geval van) bodemverontreiniging.
De interventiewaarde geldt als criterium waarboven mogelijk risico voor
mens en dier zou kunnen bestaan. Omdat deze waarde niet overschreden wordt,
wordt geen humaan of ecologisch risico verwacht.
Hoewel saneren van de bestrijdingsmiddelen vanuit milieuhygiënisch standpunt
niet noodzakelijk wordt geacht zal de gemeente een strook licht verontreinigde
grond verwijderen.
Op basis van het verkennend onderzoek in 2004 en de aanvullende onderzoeken
naar vermeende verontreinigingen, wordt geconcludeerd dat vanuit
milieuhygiënisch standpunt geen bezwaren zijn aan te geven tegen het gebruik
van de locatie als woongebied.
De locatie is afdoende onderzocht en naar de vermeende verontreinigingen is
uitputtend onderzoek verricht om maximale duidelijkheid c.q. inzicht te
verkrijgen.
Eind 2004 is, in opdracht van de afdeling Civiel- & Cultuurtechniek van
de gemeente Waalwijk, door Oranjewoud een advies opgesteld met betrekking tot
water en fundering in het plangebied Waesgeerd-West.
De te bouwen woningen binnen het plangebied Waesgeerd-West worden
aangesloten op het droogweerafvoer (dwa)-rioolstelsel. Het dwa-riool van de nieuwbouwlocatie
zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de bestaande woonwijk
Waesgeerd-Oost.
Bij de voorgestelde wegenstructuur is aansluiting op het stelsel in de
Louis Pasteurstraat en de V.C.J. Smitsstraat het eenvoudigst. De buis dient
1,45 meter beneden maaiveld te liggen en onder vrijverval af te wateren naar
het aansluitpunt. Uitgangspunt is een verval van 1:500. Het aansluiten van het
nieuwe stelsel op het bestaande stelsel onder vrijverval is niet mogelijk omdat
het bestaande stelsel ter plaatse te ondiep is gelegen.
Aansluiten op andere locaties is niet mogelijk wegens kruising van
particulier terrein.
Te nemen maatregelen ten aanzien van de dwa-aansluiting op het huidige
systeem kunnen zijn:
-
aanpassen
stedenbouwkundig plan;
-
verpompen van droog
weer afvoer door middel van een rioolgemaal.
De ontwateringsdiepte in de huidige situatie is 0,4 meter (t.o.v.
Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand, GHG). In de plansituatie wordt een ontwateringsdiepte
voor de wegen beoogd van minimaal 0,8 meter. Om deze ontwateringsdiepte te
kunnen realiseren, is een ophoging gewenst van de wegen van minimaal 0,4 meter
tot NAP +0,3 m.
De woningen dienen circa 0,2 meter boven het wegpeil op NAP +0,5 m te
worden aangelegd.
Het plangebied krijgt een eigen peil. Het peil wordt gereguleerd met behulp
van een stuw.
Het waterpeil wordt ingesteld op het huidige GHG, NAP –0,5m.
Hiermee wordt voorkomen dat de watergangen drainerend gaan werken.
Door de ophoging van het maaiveld ontstaat een drooglegging van 0,8 meter.
In de woonwijk Waesgeerd-Oost liggen de wegen op circa NAP +0,3 m. Voor de
bestaande bebouwing en wegen in Waesgeerd-Oost levert de peilstijging van 0,1
meter dus geen bezwaar op.
De grondsoort die voor de ophoging moet worden gebruikt heeft minimaal een
matige (0,1-0,5 m/d) doorlatendheid. Bij de detaillering dient te worden onderzocht
of de aanleg op de percelen noodzakelijk is.
Er worden geen restricties gesteld aan het wel of niet bouwen van een kruipruimte.
Er wordt uitgegaan van kruipruimtes onder 50% van de woningen.
Bij toetsing van kruipruimtes dient het grondwater circa 0,9-1,0 meter beneden
het vloerpeil van de woningen te blijven.
Bij toepassing van kruipruimtes wordt geadviseerd om drainage op de percelen
aan te leggen. Indien het perceel niet kan afwateren op de watergangen wordt
geadviseerd om in de drainage in het openbare terrein aansluitmogelijkheden te
creëren.
Oranjewoud heeft met behulp van een berekening de waterbalans berekend.
Gerekend is met een minimale breedte van de watergang op waterpeil van 2
meter.
Dit heeft geresulteerd in de volgende peilstijging:
-
Bij een bui met een
herhalingstijd 10 jaar is de peilstijging 0,20 meter.
-
Bij een bui met een
herhalingstijd 100 jaar is de peilstijging 0,32 meter.
Deze peilstijgingen voldoen aan de gestelde normen. De voorgestelde breedte
van de watergangen voldoet.
In onderling overleg hebben het Waterschap Brabantse Delta, Oranjewoud en
de gemeente Waalwijk op 11 november 2004 de uitgangspunten voor de
waterhuishouding opgesteld.
Conform deze afspraken is door Oranjewoud een bouwrijpadvies opgesteld die
door het Waterschap Brabantse Delta akkoord is bevonden.
Sedert 14 februari 2001 is de watertoets een verplicht onderdeel van de
ruimtelijke ordening, bijv. stedelijke uitbreidingen.
De watertoets kan op 3 verschillende schaalniveaus van de ruimtelijke ordening
worden toegepast, te weten: locatiekeuze, inrichting en herinrichting en
beheer. De watertoets voor de locatie Waesgeerd-West te Waspik betreft het
schaalniveau inrichting. In de bestuurlijke notitie Watertoets (2001) wordt
een elftal waterhuishoudkundige toetsingscriteria genoemd. In onderstaande
tabel is de watertoets weergegeven.
|
Toetsingscriteria |
Invulling in Waesgeerd-West te Waspik |
|
|
|
|
Veiligheid |
Toepassen flauwe taluds watergangen |
|
Regionale en locale wateroverlast |
Afwateringssysteem is gebaseerd op een eigen peil en ingericht op een bui
die 1 keer per 10 jaar voorkomt |
|
Rioleringssysteem |
Gericht op het niet afvoeren van schoon regenwater; Toepassen van niet uitloogbare duurzame bouwstoffen bij woningen. |
|
Watervoorziening |
Accent op gebiedseigen water middels conservering. |
|
Volksgezondheid |
Geen stagnante wateren direct rondom woningen. |
|
Bodemdaling |
Er vinden geen zettingen plaats als gevolg van ophoging en/of verandering
in grondwater- en oppervlaktewaterhuishouding. |
|
Grondwateroverlast |
Peilbeheer afgestemd op behoud eigen peil plangebied. Waterpeil ingesteld
op huidige gemiddeld hoogste grondwaterstand. Hiermee wordt voorkomen dat de watergangen drainerend gaan werken. |
|
Oppervlaktewaterkwaliteit |
Schoon regenwater rechtsreeks op oppervlaktewater. Vuilwater aansluiten
op riolering |
|
Toetsingscriteria |
Invulling in Waesgeerd-West te Waspik |
|
Grondwaterkwaliteit |
Geen risico’s voor drinkwaterbeschermingsgebieden |
|
Verdroging |
Peilbeheer afgestemd op behoud eigen peil plangebied. Waterpeil ingesteld
op huidige gemiddeld hoogste grondwaterstand. In de zomer en winter wordt
regenwater door middel van stuwen vertraagd afgevoerd op oppervlaktewater. |
|
Natte natuur |
Geen effect |
Sinds 1 april 2002 is de Flora- en faunawet van
kracht. In deze wet zijn de soortbeschermingsbepalingen uit de Europese Vogel-
en Habitatrichtlijn intussen volledig geïmplementeerd. Implementatie in
bijvoorbeeld bestemmingsplannen is dus in principe niet meer nodig. In verband
met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen dient
echter wel rekening te worden gehouden met soortbescherming en dan met name de
aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent concreet
dat in de plannen geen mogelijkheden moeten worden geboden voor ruimtelijke
ontwikkelingen waarvan op voorhand in redelijkheid kan worden ingezien dat in
het kader van de Flora- en faunawet geen ontheffing zal worden verleend. Een beoordeling
van dit aspect dient deel uit te maken van de plantoelichting. In dit kader is
in 2005 een natuurtoets uitgevoerd door Adviesbureau Mertens.
Uit het onderzoek van Adviesbureau Mertens blijkt
dat in het plangebied algemene grondgebonden zoogdiersoorten voorkomen, die
echter geen belemmering vormen voor het plan. Deze soorten zijn alle
vrijgesteld van een ontheffingsplicht in het kader van de Flora- en faunawet.
Voor vleermuizen is alleen sprake van een
foerageerfunctie en hetzelfde geldt voor vogels. Belemmeringen vanuit de Flora-
en faunawet zijn derhalve niet aan de orde.
Voor amfibieën is alleen de poel net buiten het
plangebied geschikt. De poel wordt niet aangetast en ook zijn hier alleen algemene
soorten aangetroffen die geen belemmering vormen voor het plan.
Op geen van de beschermde soorten worden effecten
voorzien. Een ontheffingsplicht is niet aan de orde en dus zijn geen belemmeringen
vanuit de Flora- en faunawet te verwachten.

Het plan vloeit voort uit een Ruimte-voor-Ruimte-regeling. Hiertoe wordt in
ruil voor de sloop van agrarische bedrijven die in gebruik zijn voor de intensieve
veehouderij, woningbouw gerealiseerd. Binnen het plangebied wordt geen
bebouwing gesloopt.
-
Hoofdstructuur
Het plangebied is net buiten de
kern van Waspik gelegen en vormt hiermee een overgangsgebied tussen de woonwijk
Waesgeerd-Oost en het buitengebied. De hoofdstructuur van het plan wordt gevormd
door het onderliggende landschap. De langgerekte percelen van het
slagenlandschap hebben als basis gediend voor de stedenbouwkundige verkaveling.
De bestaande sloten langs de perceelsgrenzen worden getransformeerd tot vaarten
en vormen belangrijke dragers van het stedenbouwkundig plan. Het water vormt
lange lijnen die van noord naar zuid lopen. Ook de lijnen van de wegen en de
bijbehorende laanbeplanting zijn duidelijk herkenbaar.
De oost-west lopende lijnen, welke aansluiten op de
bestaande infrastructuur zijn ondergeschikt. Deze lijnen worden namelijk niet
geflankeerd door water en hebben een smaller profiel. Waar de lijnen elkaar
snijden is sprake van een knoop. De knopen aan de rand zullen duidelijk worden
vormgegeven, naast dat lijnen elkaar kruisen is een duidelijke overgang van bebouwing
aanwezig.
Het plangebied wordt door de lijnen in een aantal vlakken verdeeld. De verkaveling
en bebouwing per vlak verschillen. Omdat het plangebied aansluit op de
bestaande bebouwing dient een al te groot contrast vermeden te worden tussen
Waesgeerd-Oost en Waesgeerd-West. In zijn algemeenheid neemt de
bebouwingsdichtheid af naarmate de afstand tot de bestaande wijk toeneemt. De
perceelsoppervlakte neemt af naarmate de kavels dichter bij het bestaande woongebied
liggen.
![]()
Verkeersstructuur
De infrastructuur van het plangebied volgt de verkavelingsrichting van het
onderliggende landschap. De kavels worden door een nieuwe noord-zuidgerichte
woonstraat (hoofdas) onsloten, welke over de gehele lengte van het plangebied
loopt. Deze hoofdas loopt evenwijdig aan de H.J.M. Wiegersmastraat. Na
realisatie van het woningbouwproject zal langs beide zijden van de H.J.M.
Wiegersmastraat woonbebouwing staan. Zowel de nieuwe woonstraat als de H.J.M.
Wiegersmastraat worden begeleid door een vaart, waardoor de straten een ruim
profiel krijgen (zie profiel 1 & 3).
De nieuwe noord-zuidgerichte woonstraat wordt op twee punten ontsloten voor
gemotoriseerd verkeer op de bestaande infrastructuur van Waspik. Qua
profilering zijn deze twee ontsluitingswegen van lagere orde (zie profiel 2).
In het noorden wordt de nieuwe wijk op de H.N. Freerickstraat ontsloten, in het
zuiden op de Aletta Jacobsstraat. Een derde ontsluitingspunt aan de V.C.J.
Smitsstraat zal geen doorgaande route bieden voor autoverkeer en worden
ingericht als een langzaam verkeersroute.

-
Groen- en waterstructuur
Net als de infrastructuur is de groen- en waterstructuur noord-zuidgericht.
De in de huidige situatie aanwezige sloten zullen in het nieuwe woongebied terugkomen
in de vorm van langs de straten gelegen vaarten. De sloot wordt hierbij
getransformeerd tot vaart, wat naadloos aansluit bij de beoogde openheid c.q.
lage bebouwingsdichtheid, de landelijke ligging en het beoogde groene karakter.
De groen- en waterstructuur in combinatie met de infrastructuur vormt de
belangrijkste drager van het stedenbouwkundige plan. In het nieuwe woongebied
zullen deze vaarten de kavels scheiden van het openbare gebied. In de bermen
langs de straten zullen bomen op regelmatige afstand van elkaar worden
aangeplant. De kavels worden ontsloten door bruggen over deze vaarten. Om geen
afbreuk te doen aan het beoogde eenduidige karakter van het openbaar gebied is
gekozen voor één standaard brug. De vaarten hebben een cultuurhistorische
betekenis: vroeger werden over deze watergangen, die naar de Maas liepen,
gebruikt door schepen die turf verscheepten.
De situering van de bruggen is vrij met dien verstande dat de regelmaat in
de eerdergenoemde bomenrij niet mag worden aangetast en de brug minimaal 2
meter uit de zijdelingse perceelsgrens van de woonpercelen moet worden
gesitueerd. Bovendien dient een afstand van minimaal 2 meter te worden
aangehouden tot de bomen.
De hoofdas van het plangebied wordt door laanbeplanting en een groenstrook
begeleid.
In het westelijke deel van het plangebied zal een strook gecultiveerd groen
worden gerealiseerd. Wat betreft de gewenste inrichting daarvan kan het
‘vogelbosje’ als voorbeeld dienen. De strook wordt in de lengterichting
(noord-zuid) doorgezet over een deel van het plangebied. De groenstrook heeft
ook een relatie met de te realiseren groenvoorziening op het toekomstige
bedrijventerrein aan de overzijde van de A59. Ook deze strook met gecultiveerd
groen zal worden begeleid door twee vaarten en vormt een overgang van bebouwd
gebied naar het open buitengebied aan de westelijke zijde van het plangebied.
Voor het inrichtingsplan vormt het slagenlandschap de onderlegger. Het
groen in de wijk loopt uit in een landschappelijk ingerichte groenstrook, die
aansluiting vindt bij het omringende landschap.
Het lengtepatroon van de slagen zal sterker worden benadrukt door beplanting
van elzenhagen en knotwilgen. Ook de bomenrijen vanuit de wijk volgen dit
patroon en lopen langs de vaarten door in de groenstrook, waardoor een
geleidelijke overgang ontstaat tussen wijk en groenstrook.
Vanuit de wijk komen er twee belangrijke entrees met wandelroutes. De eerste
vanuit het verlengde van de Louis Pasteurstraat, via een vlonder aan het water.
De tweede vanuit het parkje ten noorden van de bestaande wijk: via een
knuppelpad over een waterpartij.
Centraal in het plan ligt een zone ‘struinnatuur’: hier worden juist geen
wandelpaden aangelegd om zo het landelijke gevoel te versterken. Wel worden op
enkele plekken bruggetjes over de vaarten aangelegd. Het voornemen is om ter
plaatse schapen te laten grazen.
-
Verkaveling en bebouwingsstructuur
De verkaveling is
gebaseerd op de karakteristiek van een vaart: rechte lijnen met overwegend
grote percelen met een sterk variërende breedte.
Algemeen uitgangspunt is dan
ook dat percelen niet per definitie recht tegenover elkaar gesitueerd zijn. De
afstand tussen de verschillende bouwmassa’s zal eveneens wisselen. Alle
bebouwing binnen het plangebied is vrijstaand en kent een zeer open structuur
(zie verkavelingsvoorstel). In de voorschriften van dit bestemmingsplan is de
mogelijkheid opgenomen om aan de Aletta Jacobsstraat riante
twee-onder-één-kapwoningen op te richten.
Naarmate de
kaveloppervlakte toeneemt, zal de verkaveling vrijer zijn. Uitgangspunt voor
Waesgeerd-West, op de grens van de kern Waspik en het buitengebied, is een
grote mate van openheid. Deze openheid wordt gegarandeerd door de grote
percelen en de forse onderlinge afstand tussen de verschillende bouwmassa’s.
De woningen zullen uit
maximaal twee lagen met kap bestaan. De woningen krijgen een individueel
karakter. Binnen de voorschriften van onderhavig bestemmingsplan zullen eisen
worden gesteld aan de afmetingen, oriëntatie en dakvorm, maar niet aan architectuur
en verschijningsvorm. De woonbebouwing zal qua aard, schaal en omvang zeer
wisselend zijn. De woningen binnen het plangebied zullen op de vaarten worden
georiënteerd. Het openbaar gebied is de bindende factor van het
stedenbouwkundig concept.
De gebieden waar sprake is van nieuwe ontwikkelingen lenen zich niet voor
een beschrijving in een welstandsnota. De welstandsnota richt zich in haar
beleid met nadruk op het beheer van de gebouwde omgeving. Het beleid voor
ontwikkelingsgebieden en –locaties is erop gericht om voorafgaand aan de
bouwplanontwikkeling stedenbouwkundige richtlijnen te formuleren voor die gebieden
waar sprake is van de dynamiek van transformatie.
Door de gemeentelijke Ruimtelijke Kwaliteitscommissie zullen voor het
nieuwe woongebied Waesgeerd-west richtlijnen worden opgesteld, waaraan de
individuele bouwplannen zullen worden getoetst.
De hiervoor bedoelde richtlijnen zullen onder
andere gericht zijn op de situering van gebouwen op de toekomstige
woonpercelen. Voor zover mogelijk zijn de eisen ten aanzien van situering
vertaald in de voorschriften.
Zo is op de plankaart de bouwgrens aangegeven in de vorm van een voorgevelrooilijn.
De overige onderdelen zijn geregeld in de voorschriften van de bestemming
‘Woondoeleinden’ en variëren per zone.
Per zone zijn de bouwmogelijkheden afhankelijk van de dichtheid die wordt
nagestreefd (zie paragraaf 5.2) en de grootte van het woonperceel. Op
hoekpercelen is de afstand tot de zijdelingse perceelgrens en situering van
(aangebouwde en vrijstaande) bijgebouwen op de plankaart vastgelegd in de vorm
van een zijgevelrooilijn.
Voor een verdere uiteenzetting van de inhoud van de bestemming ‘Woondoeleinden’
wordt verwezen naar hoofdstuk 7.
Het
bouwplan zal volledig worden gerealiseerd en geëxploiteerd door de gemeente
Waalwijk.
In de met de provincie gesloten overeenkomst in het kader van de
Ruimte-voor-Ruimte-regeling is afgesproken dat de gemeente Waalwijk het
initiatief neemt tot het ontwikkelen van een woningbouwlocatie van circa 35
riante kavels, te realiseren in een gebied ten westen van Waspik.
De provincie ontvangt uit de planopbrengst een zodanige vergoeding, dat
uitbetaling van sloopvergoedingen in het kader van de Regeling Beëindiging
Veehouderijtakken (RBV) mogelijk wordt.
De gemeente zal, binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële
kaders, het exploitatieoverschot inzetten voor de verdere kwaliteitsverbetering
van het landelijk gebied.
Uit het ingestelde financiële haalbaarheidsonderzoek blijkt dat er sprake
is van een positief resultaat. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het voorliggende
plan financieel haalbaar c.q. uitvoerbaar is.
Het juridische deel van het bestemmingsplan
bestaat uit de plankaart en de voorschriften. De voorschriften bevatten het
juridisch instrumentarium voor bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, het
toegelaten gebruik van de gronden en het toegelaten gebruik van aanwezige/op te
richten bouwwerken. De plankaart heeft een ondersteunende rol voor toepassing
van de voorschriften alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
De plankaart vormt samen met de voorschriften het voor de burgers bindende
onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking,
maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en voor
de uitleg van bepaalde bestemmingen en voorschriften.
De indeling van de planvoorschriften is als volgt:
Begripsbepalingen
- Artikel 1: Begripsbepalingen.
Dit artikel bevat alle noodzakelijke begripsomschrijvingen. Hierdoor wordt de
interpretatie van de diverse begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid
wordt vergroot. De begripsbepalingen zijn, met uitzondering van de begrippen
die betrekking hebben op de titel van het bestemmingsplan en op de plankaart
(die als eerst zijn genoemd), alfabetisch gerangschikt. Dit voorkomt onnodig
lang zoekwerk.
- Artikel 2: Wijze van meten.
Dit artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.
Bestemmingsbepalingen
Dit onderdeel bestaat uit de
artikelen die direct verband houden met de op de plankaart aangegeven
bestemmingen (artikel 3 tot en met 6). Elke bestemming wordt afzonderlijk in
een artikel opgenomen. De opbouw van de bestemmingsvoorschriften komt in dit
onderdeel aan de orde, waarbij per bestemmingsonderdeel een korte algemene
toelichting wordt gegeven. Daarnaast bevat dit onderdeel een inhoudelijke toelichting
op een aantal bepalingen die voor vrijwel elke bestemming hetzelfde zijn. In
paragraaf 7.3 wordt per bestemming een specifieke inhoudelijke toelichting gegeven.
Voor de bestemmingen geldt de
volgende opbouw:
§
Bestemmingsomschrijving: in de bestemmingsomschrijving wordt een nadere
omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De
hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Om een nadere categorisering aan te
geven wordt binnen de bestemmingsomschrijving gewerkt met een aantal standaard
begrippen. Onder ‘met aan (lid a) ondergeschikte’ worden de aan de
hoofdfunctie(s) ondergeschikte functies aangegeven. Onder ‘met de bij (lid b)
behorende’ worden niet de functies op zich aangegeven maar de gronden en
bouwwerken ten behoeve van die functies. Soms komt het voor dat meerdere
functies zelfstandig naast elkaar worden toegelaten. Om dit duidelijk te maken
wordt de term ‘alsook’ gebruikt. De bestemmingsomschrijving is niet alleen
functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten.
§
Bouwvoorschriften: in deze bepaling zijn onder andere regels
opgenomen omtrent de bebouwingsdichtheid van percelen en maximale goot- en/of
bouwhoogte van bouwwerken. Uitgangspunt is zo veel mogelijk in de
bouwvoorschriften te regelen en zo min mogelijk via vrijstelling van de
bouwvoorschriften. Daarnaast is rekening gehouden met bouwwerken die vergunningsvrij
zijn, op basis van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht
bouwvergunningsplichtige bouwwerken. De bouwvoorschriften voor ondergronds
bouwen en afwijkende bouwwerken zijn voor elke bestemming hetzelfde. Om per
artikel een volledig overzicht te hebben van alle bouwmogelijkheden, zijn de
bouwvoorschriften voor ondergronds bouwen en afwijkende bouwwerken per artikel
opgenomen. Hieronder wordt echter wel een algemene toelichting gegeven op deze
bepalingen.
Overige bepalingen
Binnen het plangebied zijn de
volgende bestemmingen opgenomen:
Artikel 3 Wonen
Artikel 4 Verblijfsgebied
Artikel 5 Groen
Artikel 6 Water
Onderstaand worden de
verschillende bestemmingen afzonderlijk toegelicht. Hieronder komen alleen de
specifieke regels voor de betreffende bestemming aan bod.
De
toelichting van een aantal bepalingen die in vrijwel elke bestemming voorkomen,
is opgenomen in paragraaf 7.2 (algemene toelichting voorschriften), zoals
ondergronds bouwen, nadere eisen etc.
Bestemmingsomschrijving:
de gronden met de bestemming Wonen zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen
al dan niet in combinatie met de uitoefening van beroepsmatige activiteiten in
het hoofdgebouw op een maximum van 30 m² van het bruto-vloeroppervlak van het
hoofdgebouw. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor bij het hoofdgebouwen behorende
vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen. De bijbehorende tuinen, erven en bouwwerken,
geen gebouw zijnde, zijn ook toegestaan.
Bouwvoorschriften:
Plankaart
In het algemeen
geldt dat een bouwperceel op de plankaart is opgedeeld in twee zones:
· gronden gelegen
vóór de op de plankaart aangegeven voorgevelrooilijnen;
· gronden gelegen
achter de op de plankaart aangegeven voorgevelrooilijnen.
Op de plankaart is
steeds op de gronden gelegen achter de aangegeven voorgevelrooilijnen een
aanduiding opgenomen met de volgende gegevens: zone aanduiding, maximum aantal
woningen, maximale goothoogte, maximale bouwhoogte.
Woningtypen
Binnen de bestemming
zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Met dien verstande dat voor
de percelen die direct grenzen aan de Aletta Jacobsstraat ook half-vrijstaande
woningen zijn toegestaan.
De voorschriften
maken onderscheid in de volgende typen woningen:
·
vrijstaande
woningen: woningen waarbij sprake is van een
hoofdgebouw dat vrij van de zijdelingse perceelsgrenzen staat.
·
half-vrijstaande
woningen: woningen waarbij sprake is van twee aaneengebouwde
hoofdgebouwen of woningen waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de
zijdelingse perceelsgrens valt met uitzondering van woningen in gesloten
bebouwing.
Vrijstaande en half-vrijstaande
woningen kunnen al dan niet geschakeld worden door één of meerdere bijgebouwen.
Hierna is een illustratie opgenomen met voorbeelden van de verschillende
woningtypes en het schakelen van woningen middels bijgebouwen.
hv: half-vrijstaande woningen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
niet geschakeld |
|
geschakeld d.m.v. 2 bijgebouwen |
|
geschakeld d.m.v. 1 bijgebouw |
|||||||||||||||||||||||||||
v: vrijstaande woningen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
niet geschakeld |
|
geschakeld |
|||||||||||||||
Variabel bouwvlak
Het ‘variabel bouwvlak’ staat niet op de
plankaart aangegeven maar ontstaat (denkbeeldig) door combinatie van een aantal
voorschriften. Het bouwvlak is variabel omdat de situering ervan kan variëren
binnen de voorschriften. Vanwege de verschillende situeringsmogelijkheden staat
het bouwvlak voor hoofdgebouwen niet op de plankaart. Een hoofdgebouw mag
uitsluiten binnen het ‘variabel bouwvlak’ gebouwd worden. Bijgebouwen mogen ook
binnen het ‘variabel bouwvlak’ gebouwd worden. Vanuit de gedachte ‘waar het
meerdere mag, mag het mindere ook’ gelden voor deze bijgebouwen dezelfde
bouwvoorschriften als voor hoofdgebouwen. Er gelden verschillende voorschriften
voor de onderscheiden woningtypen. Hierna is daarom per woningtype in een
schema een overzicht gegeven van de voorschriften die het bouwvlak bepalen. Ook
wordt hierna een voorbeeld van het ‘variabel bouwvlak’ in beeld gebracht.
Schema ‘variabel
bouwvlak’ per woningtype
|
|
minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens |
maximale diepte |
maximale breedte* |
|
vrijstaande woningen |
3 m¹ tot beide zijdelingse perceelsgrenzen |
12 m¹ |
10 m¹ |
|
half-vrijstaande woningen |
3 m¹ tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen |
12 m¹ |
10 m¹ |
*= Te meten vanaf één van de zijgevels van
het hoofdgebouw in de richting van het hoofdgebouw. Indien een bijgebouw in het
‘variabel bouwvlak’ binnen 3 meter van de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ is
opgericht, telt dit bijgebouw mee voor het bepalen van de breedte maar deze kan
nooit meer zijn dan het aangegeven maximum.
‘Variabel bouwvlak’ voor vrijstaande woning
in beeld gebracht

Voorgevelrooilijnen
In dit plan wordt onderscheid gemaakt in
‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ en ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’. Indien
beide soorten voorgevelrooilijnen bedoeld worden, wordt dit aangeduid met de
term ‘voorgevelrooilijnen’. Er is gekozen voor verschillende soorten
voorgevelrooilijnen om op hoekpercelen altijd duidelijk te hebben wat de
voorgevel van een hoofdgebouw is. In de begripsomschrijvingen is bovendien
opgenomen dat het benoemen van de voorgevel gerelateerd is aan de ligging van
de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ en daarmee ontstaat ook duidelijkheid over
de ligging van de zij- en achtergevel. De voorschriften die gekoppeld zijn aan
de (gronden vóór) voorgevelrooilijnen hebben tot doel een soepele overgang van
het bouwvlak naar de aanliggende openbare (grotendeels onbebouwde) weg te
creëren. Aan de beide soorten voorgevelrooilijnen zijn verschillende
voorschriften gekoppeld die hieronder beschreven worden.
Voorgevelrooilijn hoofdgebouwen
Een ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ wordt
op elk bouwperceel met de bestemming Wonen opgenomen. Aan een ‘voorgevelrooilijn
hoofdgebouwen’ zijn de volgende voorschriften gekoppeld:
·
In zone I en
III dient de voorgevel van een hoofdgebouw voor minimaal 75% te worden
opgericht in de op de plankaart aangegeven ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’.
In zone II en IV dient de voorgevel van een hoofdgebouw te worden opgericht achter de op de plankaart aangegeven ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’.
·
het
hoofdgebouw mag vanaf de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ afhankelijk van het
type woning een bepaalde maximale diepte hebben.
·
de afstand van
bijgebouwen tot de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ dient minimaal 3 m¹ te
zijn. Hierop is een aantal uitzonderingen:
- een overkapping met een open constructie mag tot in de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ worden gebouwd;
- bijgebouwen gelegen in het variabel bouwvlak mogen tot in de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ worden gebouwd.
Voorgevelrooilijn bijgebouwen
Een ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ kan worden
opgenomen in relatie tot hoekpercelen om een soepele overgang naar de aanliggende
openbare weg te creëren. Er kunnen zich ook situaties voordoen waarbij deze
overgang niet nodig is. In dat geval zal op hoekpercelen geen
‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ opgenomen worden. Aan een ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ zijn de volgende voorschriften gekoppeld:
·
hoofdgebouw en
bijgebouwen mogen in of achter de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ opgericht worden.
·
het bouwen van
bijgebouwen vóór de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ is toegestaan tenzij een
woning is gelegen op een hoekperceel waarvan de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’
overgaat in een ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ van een aansluitend bouwperceel.
Indien het bouwen van bijgebouwen vóór de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen is
toegestaan moet de afstand tot het verlengde van de ‘voorgevelrooilijn
hoofdgebouwen’ minimaal 3 m¹ te bedragen. Daarnaast gelden ook de voorschriften die voor bijgebouwen achter
de voorgevelrooilijnen gelden.
Zie de voorbeelden 1 tot en met 3 hierna.
Voorgevelrooilijn bijgebouwen op grens van
bouwperceel
Indien sprake is van naast elkaar gelegen
woningen die niet op één lijn staan (verspringende gevels) is de
voorgevelrooilijn verbonden met een ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’. Deze ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ ligt dan op de grens van het bouwperceel. De twee
voorgevelrooilijnen die daardoor verbonden worden, moeten beoordeeld worden
alsof ze in elkaar overlopen. Zie voorbeeld 4 hierna.
Voor het beoordelen of een bijgebouw op 3 m1
afstand van de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ staat, dient alleen de
rooilijn van het betreffende bouwperceel beoordeeld te worden.
Voorbeelden
Situatie 1: ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ bij een woning op een hoekperceel, waarbij het verlengde van de ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ overgaat in de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ van de
naastgelegen woning. Bijgebouwen mogen alleen in de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’
worden gebouwd.
Situatie 2: ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ bij woningen op hoekpercelen, waarbij de ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ van een woning overgaat in de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ van
een erachter gelegen woning. Bijgebouwen mogen in de ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ worden gebouwd maar ook vóór de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’.
Situatie 3: alleen
‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ aan de voorzijde van het hoofdgebouw bij
woningen op hoekpercelen. Bijgebouwen én hoofdgebouwen mogen tot in de
bestemmingsgrens gebouwd worden.
Situatie 4: ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’ op grens van bouwperceel, toegepast in situatie 1 maar dan met
verspringende woningen. Bijgebouwen mogen alleen in ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’
worden gebouwd.
Zie de bijbehorende afbeeldingen hierna.

Dove gevel in zone IV
In de op de plankaart aangeduide zone IV
dienen de achtergevels van de woningen voor de verdiepingen als dove gevel te
worden uitgevoerd. Onder dove gevel wordt verstaan een
gevel zonder te openen delen en met een geluidwerende functie. Met het toepassen van dove gevels voor de eerste en
tweede verdieping aan de achterzijde van de woningen wordt aan de voorkeursgrenswaarde
als bedoeld in de Wet geluidhinder voldaan.
Maximale contour
Voor de hoogte en het dak van hoofdgebouwen
is in de voorschriften een flexibele regeling opgenomen. Centraal staat het
formuleren van een omtrek waarbinnen zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen zijn
toegestaan. Deze zogenaamde ‘maximale contour’ wordt opgebouwd vanuit het
‘variabel bouwvlak’. Ter plaatse van de twee breedtelijnen óf de twee
dieptelijnen van het ‘variabel bouwvlak’ bedraagt de goothoogte van de ‘maximale
contour’ de op de plankaart aangegeven hoogte. Vervolgens wordt vanaf deze goothoogte
een dakvlak bepaald door een hellingshoek van 45 graden tot aan de op de
plankaart aangegeven bouwhoogte. Hierdoor ontstaat als het ware een
drie-dimensionale trapeze-vorm welke aan twee zijden schuin en twee zijden
loodrecht is met een symmetrisch profiel. Een eenvoudige wijze om de ‘maximale
contour’ te bepalen is in een aantal stappen:
1
maximale
breedte/diepte van het ‘variabel bouwvlak bepalen;
2
vanuit
maximale bouwvlak de maximale goothoogte bepalen ter plaatse van breedtelijnen
of dieptelijnen;
3
vanuit
goothoogte dakvlak van 45 graden bepalen zodat een driehoek ontstaat;
4
de driehoek
aftoppen op de maximale bouwhoogte zodat een trapeze-vorm ontstaat.
Indien goot- en
bouwhoogte op de plankaart gelijk zijn, stap 3 en 4 weglaten. De ‘maximale
contour’ bestaat dan uit een kubus-vorm.


Voor de hoogte en het dak van het hoofdgebouw
mag de gehele ‘maximale contour’ benut worden. Binnen deze maximale omtrek, is
daarnaast ook het bouwen van een plat dak, dakvlak met een helling van meer dan
45 graden, rond dak, topgevel of andere rechtopgaande gevelconstructie
toegestaan. Om dergelijke constructies mogelijk te maken is gebruik gemaakt van
het zogenaamde ‘envelop-principe’ welke in de voorschriften de vorm van een
trapeze heeft. Dit houdt in dat binnen een bepaalde voorgeschreven trapezevorm
ook andere dakvormen zijn toegelaten mits de voorgestelde dakoplossing van het
bouwplan blijft binnen de gestelde maximale contouren.
In aanvulling op de beschrijving van de
‘maximale contour’ geldt daarnaast nog het volgende:
·
de zijde van
de ‘maximale contour’ waar de 45 graden geldt, wordt bepaald door het dakvlak
dat in de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ is gelegen. Indien dit dakvlak
loodrecht is, valt de loodrechte zijde van de ‘maximale contour’ in de
‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’. Indien dit dakvlak schuin is, valt de
schuine zijde van de ‘maximale contour’ in de ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’.
Indien beide niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld bij platte daken, is de keuze van de richting vrij (mits passend binnen welstandseisen).
Hierna worden middels een aantal
illustraties voorbeelden gegeven van de bovenstaande regeling voor de ‘maximale
contour’.
Voorbeeld uitbreiding hoofdgebouw Voorbeeld
aangebouwd bijgebouw binnen bouwvlak en contour

Voorbeeld
dakkapel Voorbeeld
dakopbouw
Aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen
Wat betreft bijgebouwen wordt slechts onderscheid
gemaakt in twee soorten bijgebouwen: aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen. Er
is verder geen onderscheid gemaakt in het soort aangebouwde bijgebouwen omdat
deze volgens de begripsbepaling altijd een woonfunctie mogen hebben. Voor een
nadere uitleg zie onder het kopje ‘strijdig gebruik’. Voor bijgebouwen gelden
allereerst een aantal algemene regels:
·
bijgebouwen
moeten achter de voorgevelrooilijnen worden geplaatst.
·
de totale
diepte van het hoofdgebouw met de daaraan aangebouwde bijgebouwen mag maximaal
18 m¹ bedragen.
·
in het
verlengde van de zijgevels achter het hoofdgebouw moet per bouwperceel een
minimale ruimte van 25 m2 onoverdekt en onbebouwd aanwezig blijven,
al dan niet gelegen in het ‘variabel bouwvlak’.
·
binnen het
‘variabel bouwvlak’ mogen bijgebouwen worden gebouwd mits de ‘maximale contour’
niet wordt overschreden.
·
Op het
gedeelte van het bouwperceel buiten het ‘variabel bouwvlak’ mag de totale
oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen maximaal 50% bedragen.
Daarnaast geldt een aantal specifieke
bepalingen voor het bouwen van bijgebouwen buiten het ‘variabel bouwvlak’. Voor
(half)vrijstaande woningen geldt dat buiten het ‘variabel bouwvlak’ per
bouwperceel maximaal 70 m² bijgebouwen toegestaan zijn.
Op de gronden vóór de voorgevelrooilijnen
mogen bijgebouwen alleen in zeer beperkt mate worden opgericht. Voor deze benadering
is gekozen zodat bijgebouwen zoveel mogelijk aan de achterzijde van de woning
worden gesitueerd. In het geval van een ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ is een
uitzondering gemaakt. Dit is al beschreven onder het kopje ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen’.
Overkapping met een open constructie
Een bijzonder (bij)gebouw is de overkapping
met een open constructie welke volgens de begripsbepaling altijd een gebouw is.
Voor deze benadering is gekozen om een overkapping met een open constructie mee
te kunnen tellen met het maximale totaaloppervlak van gebouwen. Vanwege de open
constructie en de mogelijkheid de overkapping te kunnen gebruiken als carport
gelden een aantal uitzonderingen in vergelijking tot de overige bijgebouwen.
- een overkapping met een
open constructie mag tot in de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
- een overkapping met een open constructie
welke is gelegen op een afstand van minder dan 3 m¹ achter de voorgevelrooilijn
mag maximaal een goothoogte hebben van 3,1 m¹ en dient voorzien te zijn van een
plat dak.
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor de hoogte van bouwwerken, geen gebouw
zijnde, gelden verschillende maten. Dit is afhankelijk van de plaats van de bouwwerken,
geen gebouw zijnde:
·
achter de
voorgevelrooilijnen mag de hoogte maximaal 2,2 m¹ bedragen;
·
vóór de
voorgevelrooilijnen mag de hoogte maximaal 1 m¹ bedragen.
·
Hierop gelden
de volgende uitzonderingen:
-
vlaggenmasten
mogen vóór de voorgevelrooilijnen maximaal 6 m¹ hoog zijn;
-
vóór
de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ en meer dan 3 m¹ achter het verlengde van de
‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ mag de hoogte maximaal 2,2 m¹ bedragen tenzij
een woning is gelegen op een hoekperceel waarvan de ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’
overgaat in een ‘voorgevelrooilijn hoofdgebouwen’ van een aansluitend
bouwperceel. Net als bij bijgebouwen geldt ook hier dat indien twee
voorgevelrooilijnen verbonden worden door een ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’
op de grens van het bouwperceel, ze beoordeeld moeten worden alsof ze in elkaar
overlopen (zie ook de alinea’s ‘voorgevelrooilijn bijgebouwen’ en ‘voorgevelrooilijn
bijgebouwen op grens van bouwperceel’).
Strijdig gebruik:
Binnen deze bestemming is het gebruiken van
vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van het wonen expliciet uitgesloten. In de
begripsomschrijving is namelijk aangegeven dat aangebouwde bijgebouwen wel
gebruikt mogen worden voor wonen, voor vrijstaande bijgebouwen geldt dit niet.
Voor deze benadering is gekozen omdat in de praktijk blijkt dat het aan de buitenkant
van een aangebouwd bijgebouw niet of nauwelijks waarneembaar is of het ‘niet
direct ten dienste’ staat van het hoofdgebouw of dat het een uitbreiding
betreft van het hoofdgebouw. In ruimtelijk opzicht is dit niet relevant.
Doordat het aangebouwde bijgebouw voor woonfuncties gebruikt mag worden,
ontstaat bijvoorbeeld de mogelijkheid een bestaande woning uit te bouwen en een
slaapkamer en badkamer op de begane grond te realiseren.
Een vrijstaand bijgebouw mag alleen gebruikt
worden voor functies die niet direct ten dienste staan van de woonfunctie zoals
een garage, berging, praktijkruimte. Voorkomen moet namelijk worden dat een
vrijstaand bijgebouw een zelfstandige woonruimte gaat vormen.
Ook uitgesloten is het rechtstreeks
gebruiken van het hoofdgebouw ten behoeve van beroepsmatige activiteiten op
meer dan 30 m² van het bruto-vloeroppervlak van het hoofdgebouw. Met dit
voorschrift wordt expliciet aangegeven wanneer een beroepsmatige activiteit
rechtstreeks is toegestaan via de voorschriften en wanneer een vrijstelling van
de gebruiksvoorschriften nodig is.
Vrijstelling:
Vanuit sociaal-economisch oogpunt is het
gewenst in de woning beperkte werkgelegenheid mogelijk te maken. Onderscheid is
daarbij gemaakt tussen:
·
beroepsmatige
activiteiten: verlenen van diensten die traditioneel in een praktijkruimte
worden uitgeoefend bijvoorbeeld een arts, tandarts, fysiotherapeut, advocaat,
notaris, accountant.
·
bedrijfsmatige
activiteiten: in het algemeen de uitoefening van ambachtelijke bedrijvigheid.
Stimulering van deze vorm van
werkgelegenheid is gewenst omdat zo voor de bevolking enige ontplooiingsruimte
gecreëerd wordt en de woonomgeving wordt verlevendigd.
In de definitie van de begrippen beroeps- en
bedrijfsmatige activiteiten is tot uitdrukking gebracht dat het hierbij gaat om
activiteiten die met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de
woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Bij afbreuk aan de woonomgeving kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan nadelige beïnvloeding van de normale
afwikkeling van het verkeer en een onevenredige toename van de parkeerdruk op
de openbare ruimte.
Gezien het karakter van beroepsmatige
activiteiten is het toelaten van beroepsmatige activiteiten van beperkte omvang
in het hoofdgebouw direct toegelaten. De ondergeschiktheid van beroepsmatige
activiteiten ten opzichte van de woonfunctie is in de gebruiksvoorschriften
concreet gemaakt door een maximaal oppervlak te regelen.
Aan beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
in een wat grotere omvang is een aantal beperkende voorwaarden gebonden. In de
volgende gevallen is daarom een vrijstellingsregeling van toepassing:
·
beroepsmatige
activiteiten op meer dan 30 m² van het bruto-vloeroppervlak in het hoofdgebouw;
·
beroepsmatige
activiteiten in bijgebouw(en);
·
bedrijfsmatige
activiteiten in het hoofdgebouw en/of bijgebouw(en), niet zijnde een
overkapping met een open constructie;
Aan het verlenen van een dergelijke vrijstelling is
een aantal voorwaarden gesteld waardoor per geval afgewogen kan worden of met
behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving de aangevraagde
activiteit kan worden uitgeoefend. Per bouwperceel mag in ieder geval niet meer
dan 50 m² ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit gebruikt
worden.
De toelichting van een aantal bepalingen die in
vrijwel elke bestemming voorkomen, is opgenomen in paragraaf 7.2 (algemene toelichting
voorschriften), zoals ondergronds bouwen, nadere eisen etc.
Bestemmingsomschrijving: De
inrichting van deze gebieden is primair gericht op de verblijfsfunctie en
secundair op de verkeersfunctie. Deze ruimten hebben in principe een
multifunctioneel karakter waarbij de inrichting gericht is op woonstraten,
pleinen, voetpaden, rijwielpaden, waterlopen, waterpartijen en groen-, speel-
en parkeervoorzieningen. De wegen binnen deze bestemming dienen voor een
veilige maar gelijkwaardige afwikkeling van het verkeer binnen een woongebied.
Ondergeschikt aan de verblijfsfunctie zijn tuinen en bergbezinkbassins
toegestaan. De bij de toegestane functies behorende bouwwerken, geen gebouw
zijnde, zijn ook mogelijk. De omschrijving ‘bij….behorende’ dient ruim te
worden opgevat.
Bouwvoorschriften: In de
bouwvoorschriften bij de bestemming Verblijfsgebied zijn geen gebouwen
toegestaan met uitzondering van ondergrondse bergbezinkbassins.
Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, die
rechtstreeks ten behoeve van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer
bedoeld zijn, is géén maximale hoogtemaat opgenomen. Voor bouwwerken, geen
gebouw zijnde, die niet rechtstreeks ten behoeve van geleiding, beveiliging en
regeling van het verkeer bedoeld zijn, is wel een maximale hoogtemaat opgenomen.
Wat betreft de bovenstaande bouwvoorschriften is
rekening gehouden met de vergunningsvrije bouwmogelijkheden op grond van het
Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken.
Binnen de vergunningsvrije bouwmogelijkheden zijn namelijk veel algemeen
voorkomende bouwwerken in het openbaar gebied vergunningsvrij onder een aantal
voorwaarden. Bijvoorbeeld: gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
aangesloten nutsvoorziening, straatmeubilair, speeltoestellen en bouwwerken,
geen gebouw zijnde, ten behoeve van het verkeer. Specifieke bouwvoorschriften
hiertoe zijn daarom niet opgenomen.
De toelichting van een aantal bepalingen die in
vrijwel elke bestemming voorkomen, is opgenomen in paragraaf 7.2 (algemene toelichting
voorschriften), zoals ondergronds bouwen, nadere eisen etc.
Bestemmingsomschrijving: De
gebieden met de bestemming Groen zijn primair bedoeld voor belangrijke
groenvoorzieningen met de volgende functie:
-
een bindmiddel
vormen tussen woonwijken;
-
een geleidelijke
overgang vormen tussen stedelijk en landelijk gebied;
-
het versterken van
de lijnvormige structuren in de wijk.
Binnen deze bestemming zijn niet alleen
groenvoorzieningen toegestaan maar ook voet- en rijwielpaden, waterlopen en
waterpartijen. Ondergeschikt aan en ten dienste van de groenvoorzieningen zijn
daarnaast tuinen, verhardingen en parkeervoorzieningen toegestaan. De bij de
toegestane functies behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn ook
mogelijk. De omschrijving ‘bij….behorende’ dient ruim te worden opgevat.
Bouwvoorschriften: In de
bouwvoorschriften bij de bestemming Groen mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Er is daarnaast een maximale hoogtemaat opgenomen voor de toegelaten
bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Wat betreft de bovenstaande bouwvoorschriften is
rekening gehouden met de vergunningsvrije bouwmogelijkheden op grond van het
Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken.
Binnen de vergunningsvrije bouwmogelijkheden zijn namelijk veel algemeen
voorkomende bouwwerken in het openbaar gebied vergunningsvrij onder een aantal
voorwaarden. Bijvoorbeeld: gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
aangesloten nutsvoorziening, straatmeubilair en speeltoestellen. Specifieke
bouwvoorschriften hiertoe zijn daarom niet opgenomen.
De toelichting van een aantal bepalingen die in
vrijwel elke bestemming voorkomen, is opgenomen in paragraaf 7.2 (algemene toelichting
voorschriften), zoals ondergronds bouwen, nadere eisen etc.
Bestemmingsomschrijving: Water
dat primair een functie heeft voor de waterberging, waterhuishouding en
belangrijke waterlopen krijgt een bestemming Water. Ruimtelijk gezien vormen
deze waterpartijen daarnaast in combinatie met de groene taluds en bermen een
verbindend element in woonwijken en maken ze onderdeel uit van het structuurgroen
in de gemeente. De bij de toegestane functies behorende groenvoorzieningen en
bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn ook mogelijk. De omschrijving
‘bij….behorende’ dient ruimt te worden opgevat.
Bouwvoorschriften: In de
bouwvoorschriften bij de bestemming Water mogen geen gebouwen worden gebouwd en
is een maximale hoogtemaat opgenomen voor de toegelaten bouwwerken, geen gebouw
zijnde. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde,
toegestaan welke behoren bij het water, waaronder bruggen ten behoeve van het
wegverkeer, dammen en/of duikers.
Wat betreft de bovenstaande bouwvoorschriften is
rekening gehouden met de vergunningsvrije bouwmogelijkheden op grond van het
Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken.
Binnen de vergunningsvrije bouwmogelijkheden zijn namelijk veel algemeen
voorkomende bouwwerken in het openbaar gebied vergunningsvrij onder een aantal
voorwaarden. Bijvoorbeeld: bouwwerken, geen gebouw zijnde, in/onder/bij water
ten behoeve van de waterhuishouding, de drinkwatervoorziening, de riolering.
Specifieke bouwvoorschriften hiertoe zijn daarom niet opgenomen.
Bij het
opstellen van dit bestemmingsplan is aangesloten op de standaardregeling van de
gemeente. Omdat dit echter een bestemmingsplan betreft dat ziet op de
ontwikkeling van een nieuwe situatie en niet op het bestemmen van reeds
bestaande situatie is het noodzakelijk gebleken op enkele onderdelen van de
standaard af te wijken.
Het
betreft de volgende onderdelen:
·
In het plangebied
zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan (met uitzondering van percelen
direct grenzend aan de Aletta Jacobsstraat waar ook half-vrijstaande woningen mogen
worden gebouwd). In afwijking van de standaard is daarom het woningtype niet op
de plankaart aangegeven.
·
Op de plankaart zijn
wel deelgebieden aangegeven. Voor deze deelgebieden gelden verschillende
bepalingen ten aanzien van de volgende onderwerpen:
-
kavelbreedte;
-
voorgevelrooilijn
hoofdgebouwen;
-
maximale diepte van
hoofdgebouwen.
·
De breedte van de
woningen is afwijkend van de standaard. De breedte is namelijk afhankelijk van
de breedte van de kavel.
De
afwijkingen ten opzichte van de standaard is het gevolg van de specifieke
stedenbouwkundige uitgangspunten die gelden voor het gebied.
De
stedenbouwkundige uitgangspunten van het plan zijn beschreven in hoofdstuk 5
van deze toelichting.
Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Waesgeerd-West, Waspik’ is conform artikel
10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening voor vooroverleg gezonden naar de
desbetreffende personen en instanties.
Verder heeft het
voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage gelegen van 20 mei tot en met 16
juni 2005. Er zijn drie inspraakreacties op het voorontwerp ingekomen.
Na vooroverleg en inspraak zal het plan de procedure van artikel 23 en verder
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
In deze paragraaf zijn de ingekomen reacties samengevat en beantwoord.
· De heer H. van Steenoven, Aletta Jacobsstraat 10, 5165 EK Waspik
In zijn brief d.d. 28 april 2005 schrijft de heer Van Steenoven:
1 dat de voormalige gemeente Waspik de verwachting heeft gewekt dat tegenover zijn woning aan Aletta Jacobsstraat 10 te Waspik geen woningbouw zou plaatsvinden;
2 dat bij de inrit van zijn woning een verkeersonveilige situatie zal ontstaan als gevolg van de zuidelijke ontsluitingsweg in het plangebied;
3 dat hij hinder zal ondervinden van het lichtschijnsel van koplampen van de voertuigen die rijden op de ontsluitingsweg;
4 dat hij gemeente Waalwijk aansprakelijk stelt voor alle schade aan zijn eigendom ten gevolge van werkzaamheden in het plangebied (bouwrijp maken, oprichten woningen).
Deze brief is aangemerkt als inspraakreactie. Bij brief d.d. 15 juni 2005 heeft Van Steenoven zijn inspraakreactie aangevuld. Hij voegt toe:
5 dat de tweede ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied ter hoogte van de Louis Pasteurstraat niet op een ‘logische’ plaats is gesitueerd;
6 dat de parkeerdruk in de Aletta Jacobsstraat zal toenemen onder meer doordat parkeerplaatsen zullen verdwijnen.
1 De
heer Van Steenoven laat in het midden hoe de voormalige gemeente Waspik bij hem
de verwachting zou hebben gewekt dat op het perceel tegenover zijn woning geen
woningbouw zou worden opgericht. Hij heeft geen brief (van bijvoorbeeld de
wethouder) met die strekking overgelegd. Anderszins is evenmin gebleken dat
door vertegenwoordigers van de rechtsvoorgangster van gemeente Waalwijk de
uitbreiding van de wijk Waesgeerd-Oost is uitgesloten. Het tegendeel is waar.
De planwetgever schrijft in de toelichting op bestemmingsplan De Waesgeerd het
volgende (paginanummer 8): “Zowel aan de landschapszijde als aan de kanaalzijde
wordt een woonstraat aangelegd.
Beide
worden dus aan slechts één zijde bebouwd. Hoewel dit een relatief dure
oplossing is, wordt deze opzet verantwoord geacht gezien [...] de mogelijkheid
die wordt geschapen om eventuele toekomstige uitbreidingen naar het westen goed
op dit plan te laten aansluiten. De extra kosten nu worden dan terugverdiend.”.
De raad heeft het bestemmingsplan De Waesgeerd vastgesteld op 8 februari 1990.
De goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant volgde op
31 mei 1990. De heer Van Steenoven heeft nagelaten zijn stelling te onderbouwen
met schriftelijke stukken. De visie van de rechtsvoorgangster van gemeente
Waalwijk op de planologische ontwikkeling van het betrokken gebied, zoals
verwoord in de toelichting op bestemmingsplan De Waesgeerd, strookt met het
voorliggende ontwerpbestemmingsplan Waesgeerd-West. De stelling van de heer Van
Steenoven wordt weerlegd door de aangehaalde passage.
2 Op
de zuidelijke ontsluitingsweg zal de maximale snelheid 30 km per uur bedragen.
Gelet op de lage maximumsnelheid is het vanuit verkeerskundig oogpunt
aanvaardbaar dat de inrit en de zijstraat min of meer tegenover elkaar worden
gesitueerd. De intensiteit waarmee de betreffende inrit wordt gebruikt, is veel
lager dan de intensiteit van het gebruik van de nieuw aan te leggen
buurtontsluitingsweg. Wij zijn van mening dat in de gegeven omstandigheden
(in/nabij een bocht) het belang bij een goede en verkeersveilige aansluiting
van de nieuwe weg op de Aletta Jacobsstraat prevaleert boven het belang van
betrokkene. Om onoverzichtelijke situaties te voorkomen, dient de nieuwe
buurtontsluitingsweg ofwel in de bestaande bocht in de Aletta Jacobsstraat te
worden gesitueerd, ofwel op geruime afstand van de bocht. Het opschuiven van de
rijbaan mag ons inziens niet leiden tot een verplaatsing van het probleem van
betrokkene naar diens buren. Wij hebben onderzocht of het mogelijk is om de
heer Van Steenoven tegemoet te komen met inachtneming van het voorgaande. De
uitkomst is dat de aansluiting van de nieuwe weg op de Aletta Jacobsstraat
circa 10 meter in noordelijke richting is ‘verplaatst’. Dit zal de
verkeersveiligheid ten goede komen.
3 Bovendien
zullen de koplampen dan niet schijnen op de raampartij van de woning aan Aletta
Jacobsstraat 10, maar op de deur c.q. de hoekpunt van die woning. De
verkaveling van het zuidelijke deel van het plangebied is gewijzigd door de
verplaatsing van de buurtontsluitingsweg. De wijzigingen zijn verwerkt op de
plankaart.
4 De
werkzaamheden in de directe nabijheid van de woning aan Aletta Jacobsstraat 10
zullen worden uitgevoerd in opdracht van gemeente Waalwijk dan wel
woningstichting Volksbelang. Indien de werkzaamheden binnen een door de
verzekering vastgestelde risicogroep vallen, zullen de nodige bouwtechnische
vooropnamen worden uitgevoerd.
5 Het
is niet wenselijk om de wegenstructuur van het plangebied maar op één plek aan
te sluiten op die van het bestaande woongebied. Naar aanleiding van een
voorlichtingsbijeenkomst is besloten om de eerder ingetekende ontsluiting ter
hoogte van de V.C.J. Smitsstraat niet open te stellen voor autoverkeer. De twee
resterende aansluitingen zijn niet gelijkwaardig; de zuidelijke ontsluiting ter
hoogte van de Aletta Jacobsstraat zal naar verwachting meer verkeer te
verwerken krijgen dan de ontsluiting aan de noordzijde (Louis Pasteurstraat).
Bestemmingsverkeer zal de wijk immers binnenkomen en verlaten via de meest
directe route.
De
verwezenlijking van de door de heer Van Steenoven voorgestelde ontsluiting (ter
hoogte van H.N. Freerickstraat) brengt met zich mee dat het verkeer wordt
gestimuleerd om van en naar Waesgeerd-West te rijden via het meest compacte
deel van de wijken Waesgeerd-Oost en de bestaande wijk ten oosten van het
Zuiderafwateringskanaal. Wij achten het niet aanvaardbaar om de verkeersdruk op
deze manier af te wentelen op de bestaande wijken. Bovendien is de
wegenstructuur in de wijk Waesgeerd-Oost hier niet op ingericht. Met name de
ruitvormige groenvoorziening speelt hierbij een rol. Doorgaand verkeer passeert
immers drie Y-splitsingen in plaats van één kruispunt (zie onderstaande
figuur). Daarbij komt dat de lange lijnen van de vaarten halverwege onderbroken
zouden worden door een in oost-westrichting lopende ontsluiting voor autoverkeer
in het midden van het plangebied. Dit komt de ruimtelijke zeggingskracht van
deze elementen en daarmee de totale stedenbouwkundige kwaliteit van het plan
niet ten goede.

6 Afhankelijk
van de definitieve verkaveling van de westzijde van de Aletta Jacobsstraat zal
er een nieuwe inrichting plaatsvinden voor de bestaande rijbaan. Het behoud van
het huidige aantal parkeerplaatsen zal daarbij het uitgangspunt zijn.
· De heer T.P.C. Langerwerf, Aletta Jacobsstraat 8, 5165 EK Waspik
In de als inspraakreactie aangemerkte brief d.d. 5 mei 2005 (briefnummer GROV 05/10552, ontvangen: 10 mei 2005) brengt betrokkene het volgende naar voren:
1 De wethouder van de voormalige gemeente Waspik, mevrouw C.P.J. Pijnenburg-Vugts, zou hebben gezegd dat tegenover de woning aan Aletta Jacobsstraat 8 te Waspik geen woningbouw zou plaatsvinden.
2 De heer Langerwerf vraagt of ter plaatse vrijstaande of geschakelde woningen zullen worden opgericht.
3 De (zuidelijke) ontsluitingsweg is onacceptabel gelet op de daarmee gepaard gaande overlast voor de bestaande wijk Waesgeerd-Oost.
4 De heer Langerwerf stelt gemeente Waalwijk aansprakelijk voor alle schade aan zijn eigendom ten gevolge van werkzaamheden in het plangebied (bouwrijp maken, oprichten woningen).
Antwoord
1 De
heer Langerwerf heeft geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit blijkt dat
de wethouder heeft uitgesloten dat op het perceel tegenover de woning aan
Aletta Jacobsstraat 8 geen woningbouw zou worden opgericht.
De
visie van de rechtsvoorgangster van gemeente Waalwijk op de planologische
ontwikkeling van het betrokken gebied, is verwoord in de toelichting op
bestemmingsplan De Waesgeerd (paginanummer 8): “Zowel aan de landschapszijde
als aan de kanaalzijde wordt een woonstraat aangelegd. Beide worden dus aan
slechts één zijde bebouwd. Hoewel dit een relatief dure oplossing is, wordt
deze opzet verantwoord geacht gezien [...] de mogelijkheid die wordt geschapen
om eventuele toekomstige uitbreidingen naar het westen goed op dit plan te
laten aansluiten. De extra kosten nu worden dan terugverdiend.”.
2 Ja,
teneinde een geleidelijke overgang te creëren tussen ruim opgezette
(Ruimte-voor-Ruimte) kavels in het plangebied en de veel compactere bestaande
bebouwing aan de Aletta Jacobsstraat en Benedenkerkstraat zullen tegenover de
woning van Langerwerf enkel vrijstaande woningen gerealiseerd worden op kavels
met een oppervlakte van circa 350 à 500 m2. Om het vrijstaande
karakter te waarborgen is – geheel in overeenstemming met de in het kader van
de actualisatie bestemmingsplannen opgestelde standaard bestemmingsregeling
voor woongebied – in de voorschriften van het bestemmingsplan vastgelegd dat
vrijstaande woningen aan beide zijden tenminste 3 meter van de zijdelingse
perceelsgrens dienen te staan. Bijgebouwen mogen slechts aan één zijde van de
hoofdbouwmassa opgericht worden. Welke zijde is niet voorgeschreven. Dit zou er
in principe toe kunnen leiden dat de garages van twee afzonderlijke woningen
aan elkaar gebouwd worden. Door hun beperkte hoogte (goothoogte max. 3 meter)
en terugliggende situering (ten minste 3 meter achter de voorgevel van het
hoofdgebouw) wordt dit echter niet onacceptabel geacht. Bovendien wordt het
aaneenbouwen aan één zijde gecompenseerd doordat aan de andere zijde van de
woning geen bijgebouwen opgericht mogen worden.
|
|
|
|
|
Beoogde verkeersstructuur |
Alternatief 1 |
Alternatief 2 |
|
(duidelijke oriëntatie
bebouwing) |
|
|
3
Naar aanleiding van
de inspraakreactie van de heer Van Steenoven is ervoor gekozen om de plaats
waar de wegenstructuur aansluit op de Aletta Jacobsstraat circa 10 meter op te
schuiven in noordelijke richting. Dit resulteert in een overzichtelijke
splitsing waarbij de gelijkwaardigheid van de wegen voorop staat. Een
automobilist kan hier kiezen om ofwel de bestaande wijk in te rijden, ofwel om
de nieuwe wijk in te rijden.
Het gevolg van het verder zuidelijk situeren
van de aansluiting, zoals de heer Langerwerf suggereert, is dat dit keuzemoment
veel minder uitgesproken zichtbaar wordt. Het risico is dat onnodig veel
autoverkeer via het bestaande Waesgeerd-Oost van/naar Waesgeerd-West zal rijden. De verwezenlijking van de door de heer
Langerwerf voorgestelde ontsluiting brengt met zich dat de ontsluiting
enkele onlogisch haakse bochten kent en/of enkele vrijwel onbebouwbare stukken
grond zonder duidelijke functie resteren en/of er percelen zijn met
buurtontsluitingswegen aan drie zijden. Uit verkeerskundig en stedenbouwkundig
oogpunt is dit onwenselijk.
4 De
werkzaamheden in de directe nabijheid van de woning aan Aletta Jacobsstraat 8
zullen worden uitgevoerd in opdracht van gemeente Waalwijk dan wel
woningstichting Volksbelang. Indien de werkzaamheden binnen een door de
verzekering vastgestelde risicogroep vallen, zullen de nodige bouwtechnische
vooropnamen worden uitgevoerd.
5 In
de brief vraagt de heer Langerwerf verder: “Wanneer is het zuidelijkst deel
verworven (lees: gekocht) en van wie?”. Wij zien niet in wat hiervan de
relevantie is. Betrokkene heeft niet aangegeven om welke percelen het hem is te
doen. Daarbij komt dat hij niet heeft uitgelegd wat het uitmaakt van wie die
percelen zijn gekocht. In het telefoongesprek van 17 oktober 2005 wilde de heer
Langerwerf zijn brief op dit punt niet toelichten. Wij beperken ons tot de
mededeling dat woningstichting Volksbelang op 7 september 2005 van drie
partijen een aantal percelen in het zuidelijke plangebied heeft gekocht.
· R. Mangré, Aletta Jacobsstraat 19, 5165 EH
Waspik
· K. Kuijten, Aletta Jacobsstraat 15, 5165 EH
Waspik
· T. Mol, Aletta Jacobsstraat 17, 5165 EH Waspik
· V. van den Hoven, Aletta Jacobsstraat 21, 5165
EH Waspik
Op 14 mei 2005 ontving een medewerker van de afdeling Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (ROV) van gemeente Waalwijk een elektronisch bericht van genoemde personen. Dit bericht is aangemerkt als inspraakreactie. Betrokkenen vragen om de verwezenlijking van een achterom naar hun woningen, al dan niet in combinatie met de aanleg van een centrale (afsluitbare) parkeervoorziening of iets dergelijks.
Antwoord
De groenstrook ten oosten van de watergang achter de woning aan Aletta Jacobsstraat 21 is in beginsel breed genoeg voor de aanleg van een achterompad met een breedte van circa 1 à 1,5 meter. De diepte van het perceel achter de woningen van betrokkenen bedraagt echter slechts 21 meter. Het is niet wenselijk om hier 1 à 1,5 meter van af te halen ten behoeve van een achterompad. (Ter vergelijking: de percelen van betrokkenen hebben een diepte van circa 27,5 meter, terwijl de bebouwing compacter is dan op het achterliggende perceel). Aanleg van een achterompad is derhalve alleen mogelijk op eigen terrein van de betrokkenen.
|
|
|
|
In mei 2005 is het voorontwerp van bestemmingsplan Waesgeerd-West gezonden aan de in artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (BRO) bedoelde besturen en diensten. Hieronder zijn de ingekomen reacties samengevat en beantwoord.
In de brief d.d. 1 augustus 2005 (briefnummer GROV 05/17858, ontvangen: 3 augustus 2005) heeft de Directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van provincie Noord-Brabant (ROH) haar waardering uitgesproken voor de gekozen stedenbouwkundige inrichting. Naar haar oordeel is het een sterk uitgangspunt om de landschappelijke kenmerken van het slagenlandschap als basis voor het ontwerp te gebruiken. Het gebied krijgt zo een duidelijke structuur en een eigen identiteit. De directie ROH maakt een kanttekening wat betreft de keuze voor de aanleg van een brede strook gecultiveerd groen tussen de nieuwe wijk en het slagenlandschap. De kern zou verstopt komen te liggen achter gemeenteplantsoen. Volgens de directie ROH zou gekozen moeten worden voor een inrichting waarin een natuurlijke begroeiing, water en veenweide samen zorgen voor een kwalitatief hoogwaardig en bij het slagenlandschap passend ruimtelijk beeld.
Bij brief d.d. 24 augustus 2005 (ontvangen: 2 september 2005) heeft de Provinciale Planologische Commissie Noord-Brabant (voor gemeentelijke plannen) gemeld dat zij adviseert overeenkomstig het advies van de directie ROH.
Bij brief d.d. 10 juni 2005 (ontvangen: 13 juni 2005) heeft het hoofd van de afdeling Verkeer en Ruimte van Rijkswaterstaat namens de Minister van Verkeer en Waterstaat laten weten dat het voorontwerp van bestemmingsplan ‘Waesgeerd-West, Waspik’ hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Antwoord
Met betrekking tot het groen
overwegen wij als volgt.
Voor het inrichtingsplan vormt
het slagenlandschap de onderlegger. Het groen in de wijk loopt uit in een landschappelijk
ingerichte groenstrook, die aansluiting vindt bij het omringende landschap.
Het lengtepatroon van de
slagen zal sterker worden benadrukt door beplanting van elzenhagen en
knotwilgen. Ook de bomenrijen vanuit de wijk volgen dit patroon en lopen langs
de vaarten door in de groenstrook, waardoor een geleidelijke overgang ontstaat
tussen wijk en groenstrook.
Vanuit de wijk komen er twee
belangrijke entrees met wandelroutes. De eerste vanuit het verlengde van de
Louis Pasteurstraat, via een vlonder aan het water. De tweede vanuit het parkje
ten noorden van de bestaande wijk: via een knuppelpad over een waterpartij.
Centraal in het plan ligt een zone ‘struinnatuur’: Hier worden juist geen wandelpaden aangelegd om zo het landelijke gevoel te versterken. Wel worden op enkele plekken bruggetjes over de vaarten aangelegd. Het voornemen is om ter plaatse schapen te laten grazen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 18 november 2005 gedurende
zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn in
totaal zes zienswijzen ingediend. Voor de samenvatting en beantwoording van de
zienswijzen wordt verwezen naar het raadsbesluit.
De ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan
zoals dat ter inzage heeft gelegen. De gemeenteraad heeft op 23 februari 2006
het bestemmingsplan ‘Waesgeerd-West, Waspik’ ongewijzigd vastgesteld.
Rosmalen, februari 2006 Vastgesteld:
23 februari 2006
Croonen Adviseurs b.v.